ECLI:NL:PHR:2011:BP8789
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoekers tot cassatie, echtelieden, vroegen de rechtbank om hen toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en om een bevel aan Duitse schuldeisers om in te stemmen met een schuldregeling. De schulden waren grotendeels ontstaan door beleggingsactiviteiten in Duitsland tussen 1996 en 2002. De rechtbank wees beide verzoeken af, onder meer omdat verzoekers verwijtbaar hadden gehandeld bij het ontstaan en het niet voldoen van de schulden.
In hoger beroep verwierp het hof het beroep van verzoekers, met als belangrijke redenen dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren. Het hof stelde onder meer dat er geen gedegen financieel plan was, dat niet was aangetoond dat verkoop van panden mogelijk was voordat banken het beheer overnamen, en dat verzoekers onvoldoende hadden geprobeerd hun schulden af te lossen.
De Hoge Raad oordeelde dat de cassatiemiddelen niet slaagden. De aangevoerde gronden waren onvoldoende om de oordelen van het hof onbegrijpelijk te noemen. Nieuwe feiten konden in cassatie niet worden ingebracht. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de afwijzing van de verzoeken in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.