ECLI:NL:PHR:2011:BP6589

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03948
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwArt. 354 lid 2 FwArt. 6 EVRMArt. 47 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens niet-nakoming sollicitatieplicht

De rechtbank Utrecht sprak op 10 juli 2007 de schuldsaneringsregeling definitief uit voor verzoekster. Bij vonnis van 6 juli 2010 oordeelde de rechtbank dat verzoekster toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van haar sollicitatieplicht, waardoor de regeling zonder schone lei werd beëindigd. Verzoekster had in verschillende perioden niet gesolliciteerd en ook geen ontheffing gevraagd.

In hoger beroep bevestigde het hof Amsterdam op 30 augustus 2010 het vonnis van de rechtbank. Het hof oordeelde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij door psychische problemen gedurende de gehele schuldsaneringsperiode niet kon solliciteren. Het hof baseerde zich op medische rapporten en het feit dat zij slechts beperkt therapie volgde, waardoor zij nog steeds een inspanningsverplichting had.

Verzoekster stelde in cassatie dat het hof haar ziekte miskende en onterecht een oordeel gaf over medische aspecten zonder deskundigheid. Ook voerde zij aan dat het hof onterecht het beroep op art. 354 lid 2 Fw Pro verwierp en dat zij geen eerlijk proces had gekregen omdat de beëindigingsgrond niet voldoende was besproken.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Het hof had terecht geoordeeld dat verzoekster haar inspanningsverplichting niet was nagekomen en dat de medische gegevens onvoldoende waren om volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Tevens was de sollicitatieplicht in alle procedurefasen aan de orde geweest, zodat geen schending van het recht op een eerlijk proces was. De beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens niet-nakoming van de sollicitatieplicht.

Conclusie

10/03948
Mr. L. Timmerman
Parket 25 februari 2011
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie
(hierna: [verzoekster])
Verkorte conclusie
1 Bij vonnis van 10 juli 2007 heeft de rechtbank Utrecht voor [verzoekster] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Diezelfde rechtbank heeft bij vonnis van 6 juli 2010 bepaald dat [verzoekster] toerekenbaar in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting is tekortgeschoten. Hiermee is de toepassing van de schuldsaneringsregeling geëindigd zonder schone lei. [Verzoekster] bleek in verschillende periodes gedurende de schuldsanering niet te hebben gesolliciteerd dan wel niet om ontheffing van de sollicitatieplicht te hebben verzocht. Ook de behandeling van het verzoek tot tussentijdse beëindiging op 26 mei 2008, waarbij de sollicitatieplicht aan de orde is gesteld, heeft [verzoekster] er niet toe gebracht om haar sollicitatie- en informatieinspanningen te verbeteren.
2 [verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te Amsterdam. Het hof heeft de zaak ter zitting van 23 augustus 2010 behandeld. Bij arrest van 30 augustus 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3 Tegen dit arrest heeft [verzoekster] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
4 Het verzoekschrift bevat twee middelen. Middel 1 komt op tegen rov. 3.4 waarin het hof heeft beslist dat [verzoekster] onvoldoende heeft onderbouwd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat ze als gevolg van psychische problemen gedurende de hele duur van de schuldsaneringsregeling niet in staat is geweest om te solliciteren. Het middel klaagt dat de redenering van het hof onbegrijpelijk is nu [verzoekster] alles in het werk heeft gesteld om actief medewerking te verlenen aan uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het hof zou volgens het middel de ziekte van [verzoekster] miskennen en ten onrechte een oordeel hebben uitgesproken over een medisch/psychisch vakgebied waarover het hof de kennis niet bezit. Mocht er al sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming, dan moet de bijzondere aard daarvan - zoals omschreven in de overgelegde psychische rapporten en uit de informatie van de huisarts, haar maatschappelijk werkster en de GGD-arts - in beschouwing worden genomen (art. 354 lid 2 Fw Pro). Uit het feit dat [verzoekster] aan re-integratie in de samenleving door therapieën werkt waar zij al haar beschikbare en belastbare tijd in steekt om zo weer in de toekomst te kunnen werken, volgt dat het probleem van [verzoekster] van bijzondere aard is.
5 Van personen voor wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen (art. 350 lid Pro c Fw). Van de schuldenaar wordt verwacht dat zij zich zoveel mogelijk inspant om inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan(2). In de onderhavige zaak heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij door haar ziekte niet in staat is om te werken. Het hof heeft overwogen dat zij voor een bepaalde periode van de schuldsaneringsregeling een ontheffing had gekregen om te solliciteren, maar tijdens de gehele duur van de schuldsaneringsregeling geen enkele sollicitatie heeft verricht. Anders dan het middel suggereert, heeft het hof [verzoekster] geen resultaatsverplichting opgelegd, maar, zoals uit rov. 3.4 blijkt, een inspanningsverplichting. Ook heeft ze geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat ze volledig arbeidsongeschikt is. Het hof heeft zelf geen medisch oordeel gegeven, maar zich op het rapport van de GGD-arts van 25 september 2009 gebaseerd(3). Hoewel het in het voordeel van [verzoekster] spreekt dat ze hulp heeft gezocht om haar psychische problemen onder controle te krijgen, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat deze hulp het haar niet onmogelijk maakt om te solliciteren. De gesprekken die [verzoekster] met haar psycholoog heeft, vinden eens per twee weken plaats en de bijeenkomsten voor dagbehandeling één keer per week. Dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan art. 354 lid 2 Fw Pro treft dan ook geen doel. In rov. 3.4 heeft het hof overwogen dat [verzoekster] tijdens de gehele duur van de schuldsaneringsregeling geen enkele sollicitatie heeft verricht(4). Zij is hierop door de bewindvoerder en op de zitting van 26 mei 2008 door de rechtbank gewezen, maar dit heeft er niet toe geleid dat [verzoekster] alsnog haar verplichting is nagekomen. Hierin ligt verwerping van het beroep op art. 354 lid 2 Fw Pro besloten. Het middel faalt.
6 Middel 2 voert aan dat het hof de gelegenheid had moeten bieden om in te gaan op de door de rechtbank toegepaste beëindigingsgrond nu daarover in eerste aanleg en in het beroepschrift geen discussie is gevoerd. Daarbij komt dat het niet voor de hand lag dat verwacht moest worden dat op deze grond de schuldsaneringsregeling zou eindigen zonder dat daarbij de schone lei zou worden verstrekt, aldus het onderdeel. Het hof heeft daarmee art. 6 EVRM Pro in samenhang met art. 47 EU Pro Handvest van de Grondrechten geschonden en [verzoekster] geen eerlijk proces gegeven, althans een recht op een doeltreffende voorziening in rechte onthouden.
7 Het middel faalt. Anders dan het middel stelt is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de sollicitatieplicht aan de orde geweest. In het beroepschrift stelt de advocaat van [verzoekster] dat zij niet heeft kunnen solliciteren door haar medische beperkingen en het ontbreken van sollicitaties in haar geval dan ook niet toerekenbaar verwijtbaar is(5). Ook tijdens de zitting van 23 augustus 2010 zijn [verzoekster] en haar advocaat op dit punt gehoord(6). Bovendien is tijdens de zitting van 26 mei 2008 betreffende de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling de sollicitatieplicht uitdrukkelijk aan de orde gesteld. [Verzoekster] had dus ook kunnen weten dat de schuldsaneringsregeling bij niet nakoming van de sollicitatieplicht beëindigd kon worden.
8 Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad per fax ingekomen op 6 september 2010, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen. Het originele exemplaar is op 13 september 2010 ontvangen.
2 Wessels Insolventierecht IX, par. 9371f en 9371g. Uit de jurisprudentie volgt dat het niet voldoen aan de sollicitatieplicht kan leiden tot beëindiging van de schuldsaneringregeling. Zie o.a.: HR 10 september 2010, LJN: BM7809; HR 22 december 2009, LJN: BK3576; HR 27 november 2009, LJN: BJ9941, RvdW 2009, 1416; HR 30 oktober 2009, LJN: BJ7840, RvdW 2009, 1276 en HR 11 juli 2008, LJN: BD3132, RvdW 2008, 745.
3 Productie 6 bij het cassatieverzoek.
4 In de zaak van het Hof 's-Hertogenbosch van 18 juni 2008, LJN: BD7651 werd het beroep op art. 354 lid 2 Fw Pro wel gehonoreerd. X had in die zaak ook niet aan de sollicitatieplicht voldaan, omdat X niet regelmatig gesolliciteerd had.
5 Laatste alinea pag. 1 van het beroepschrift van 14 juli 2010.
6 Zie ook productie A bij de productie 5. Dit betreft het procesverbaal van de op 29 juni 2010 door de rechtbank Utrecht gehouden terechtzitting.