ECLI:NL:PHR:2011:BP6477

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03698
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW 1994Art. 26 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beginnend bestuurderschap en rijontzegging bij rijden onder invloed

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te Leeuwarden, waarin verdachte werd veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, namelijk rijden onder invloed als beginnend bestuurder.

Verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij geen beginnend bestuurder was, omdat hij reeds in 1975 een rijbewijs zou hebben behaald. Dit werd betwist door het openbaar ministerie en het hof achtte deze stelling niet aannemelijk. Het hof baseerde zich onder meer op een uittreksel uit het CBR-register waaruit bleek dat het eerste rijbewijs van verdachte dateerde van 13 oktober 2006.

Verder oordeelde het hof dat uit een eerdere veroordeling wegens rijden onder invloed met rijontzegging niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte destijds in het bezit was van een rijbewijs. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het opleggen van een rijontzegging ook mogelijk is aan personen zonder rijbewijs, hetgeen geen onjuiste rechtsopvatting is.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 09/03698
Mr. Aben
Zitting 22 februari 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 21 augustus 2009 ter zake van "overtreding van artikel 8, derde aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro (subsidiair negen dagen hechtenis), met oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden.
2. Namens de verdachte heeft mr. E. Albayrak, advocaat te Leeuwarden, beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel betreft een bewijsverweer, inhoudende dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als beginnend bestuurder, nu het op 13 oktober 2006 aan hem afgegeven rijbewijs (categorie B) niet zijn eerste rijbewijs zou zijn. 's Hofs verwerping van dit verweer is - aldus de steller van het middel - ontoereikend gemotiveerd.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"dat hij op 8 maart 2008 te Lelystad als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden."
3.3. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen met nrs. 1-3 opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2009 (blz. 1-3). Uit het betreffende proces-verbaal blijkt dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het volgende heeft aangevoerd (blz. 3):
"Het klopt dat verdachte auto heeft gereden nadat hij alcohol had gedronken, maar verdachte is geen beginnend bestuurder. Verdachte heeft verklaard dat hij in 1975 zijn eerste rijbewijs heeft gehaald. Ik heb geprobeerd hiervan de gegevens boven tafel te krijgen, maar de instanties hebben de gegevens slechts 15 jaar bewaard. Het uittreksel uit de justitiële documentatie vormt hiervoor echter wel een aanknopingspunt. Verdachte is immers in 1978 veroordeeld vanwege het rijden onder invloed en hem is de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van een jaar. Een rijontzegging kan alleen als men een rijbewijs heeft, zodat hieruit blijkt dat verdachte in 1978 in het bezit was van een geldig rijbewijs. Nu verdachte geen beginnend bestuurder was, kan het tenlastegelegde feit niet bewezen worden, zodat hij moet worden vrijgesproken."
Bij repliek heeft de advocaat-generaal bij het hof naar aanleiding van het aangehaalde bewijsverweer het volgende gesteld:
"Verdachte is wel een beginnend bestuurder. Uit het mailbericht van het CBR blijkt dat in het register niet een eerder rijbewijs van verdachte staat geregistreerd. Overigens wijs ik er op dat ook indien een verdachte niet in het bezit is van een rijbewijs, hij een rijontzegging opgelegd kan krijgen."
3.4. Het bestreden arrest houdt voorts - voor zover hier van belang - in:
"e. Beoordeling van het verweer
Door de raadsman is betwist dat de verdachte beginnend bestuurder zou zijn. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat aan verdachte eerder, in 1975, een rijbewijs zou zijn verstrekt. De juistheid van deze stelling, die vanwege het openbaar ministerie gemotiveerd is betwist, is niet aannemelijk geworden. Dat, zoals de raadsman heeft gesteld, uit een veroordeling wegens rijden onder invloed tot onder meer een ontzegging van de rijbevoegdheid moet worden afgeleid dat de verdachte (toen) in het bezit van een rijbewijs is geweest, is onjuist en berust op een verkeerde uitleg van de wet.
Het verweer wordt verworpen."
3.5. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een Uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte op 6 november 1978 door het gerechtshof te 's-Gravenhage ter zake van overtredingen van art. 26 Wegenverkeerswet Pro (verbod rijden onder invloed) en art. 33a Wegenverkeerswet (weigering meewerken ademtest) onder meer een rijontzegging voor de duur van één jaar is opgelegd. In eerste aanleg heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte reeds op 31 oktober 1975 een rijbewijs behaald zou hebben. De verdachte zou dit rijbewijs hebben laten verlopen en in 2004 opnieuw zijn rijbewijs hebben gehaald (zie blz. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 29 augustus 2008). Nadat de rechtbank in eerste aanleg aan het verweer dat de verdachte niet als beginnend bestuurder kon worden aangemerkt was voorbijgegaan, heeft de raadsman dit verweer in hoger beroep herhaald. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman in het kader van het verweer nog opgemerkt dat (i) zijn pogingen nadere gegevens met betrekking tot het - volgens de verdachte - in 1975 behaalde rijbewijs te achterhalen zijn mislukt, omdat de registrerende instanties deze gegevens slechts 15 jaar zouden bewaren en (ii) de in het reeds genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie opgenomen veroordeling van de verdachte uit 1978 erop wijst dat de verdachte inderdaad eerder een rijbewijs heeft behaald, aangezien "een rijontzegging [...] alleen [kan] als men een rijbewijs heeft".
3.6. Uit de inhoud van de stukken en de opmerkingen van de raadsman over de registratie van gegevens ten aanzien van verstrekte rijbewijzen leid ik af dat de verdachte in ieder geval niet in staat is geweest dergelijke gegevens eigenerhand te produceren. Hoewel dit op zichzelf genomen natuurlijk verklaarbaar is - het eerste rijbewijs van de verdachte zou al in 1985 verlopen zijn -, wringt het wel enigszins met het feit dat de verdachte kennelijk zonder problemen de exacte datum heeft weten te noemen waarop hij dit rijbewijs ongeveer vijfendertig jaar geleden zou hebben behaald. Aan deze omstandigheid is door het hof evenwel geen (expliciete) aandacht besteed. Het hof heeft het verweer van de raadsman verworpen door te overwegen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in 1975 een rijbewijs heeft behaald. Daarbij heeft het hof in de eerste plaats gewezen op de gemotiveerde betwisting door de advocaat-generaal van de stelling van de verdachte ten aanzien van dit rijbewijs. Die betwisting houdt in dat er - op basis van door het CBR per e-mail verstrekte informatie - van moet worden uitgegaan dat het rijbewijs dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit bij zich droeg het eerste aan hem afgegeven rijbewijs betreft. In dit verband merk ik op dat zich in het dossier tevens een brief van de divisie registratie en informatie van de Dienst wegverkeer (RDW) aan het arrondissementsparket te Leeuwarden van 12 augustus 2009 bevindt, waarin als datum van eerste afgifte van het rijbewijs (categorie B) aan de verdachte 13 oktober 2006 wordt genoemd. In de tweede plaats heeft het hof zijn verwerping van het bewijsverweer gemotiveerd door erop te wijzen dat de stelling van de raadsman dat rijontzeggingen alleen kunnen worden opgelegd aan personen die over een rijbewijs beschikken geen steun vindt in het recht.
3.7. De motiveringsbezwaren van de steller van het middel tegen 's hofs verwerping van het verweer treffen geen doel. Het hof heeft zich in de motivering van de verwerping rekenschap gegeven van al hetgeen door de raadsman ter onderbouwing van zijn verweer is aangedragen. Anders gezegd: er is niets blijven liggen. Voor zover uit 's hofs oordeel in dit verband spreekt dat het hof meer waarde heeft gehecht aan de verwijzing van de advocaat-generaal naar informatie die inhoudt dat aan de verdachte niet eerder dan in 2006 een rijbewijs is afgegeven dan aan de daarmee onverenigbare suggestie die zou uitgaan van de veroordeling in 1978, kan dit oordeel - dat m.i. niet onbegrijpelijk is - in cassatie niet verder worden getoetst. Wat de overweging van het hof met betrekking tot de mogelijkheid tot het opleggen van rijontzeggingen aan personen zonder rijbewijs betreft, geldt dat zij geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dus logischerwijs ook geen afbreuk doet aan de door het hof gegeven motivering van de verwerping van het bewijsverweer.(1)
4. Het middel faalt aldus. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie in dit verband de volgende passage op blz. 331 van A.E. Harteveld & H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Arnhem: Gouda Quint 1999, (2e druk): "Op iemand die geen houder van een rijbewijs is, rust vanzelfsprekend niet de verplichting een rijbewijs in te leveren. Hem kan wel de rijbevoegdheid zijn ontzegd. Hierbij kan worden gedacht aan degene die 'gewoon' zonder rijbewijs rijdt, die rijles heeft en als feitelijk bestuurder optreedt (zie art. 179 lid Pro 8), de bromfietser wiens rijbevoegdheid wordt ontzegd, en aan hen die een motorrijtuig hebben bestuurd waarvoor geen rijbewijs nodig is, zie art. 108, of ten aanzien van wie reeds een ontzegging loopt". De door de auteurs bij deze passage geplaatste noot houdt voorts in dat het opleggen van rijontzeggingen aan personen zonder rijbewijs niet alleen mogelijk is, maar dat dergelijke rijontzeggingen in de praktijk door het openbaar ministerie ook regelmatig gevorderd worden.