ECLI:NL:PHR:2011:BP6163
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ontbindende voorwaarde en tekortkoming bij onderhandse executoriale verkoop door hypotheekhouder
In deze zaak staat centraal de onderhandse executoriale verkoop van een appartementsrecht door ING als hypotheekhouder aan [verweerder] c.s. De koopovereenkomst bevatte een ontbindende voorwaarde die afhankelijk was van toestemming van de voorzieningenrechter. ING sloot een minnelijke regeling met de hypotheekgever [betrokkene 1], waardoor de voorzieningenrechter ING niet-ontvankelijk verklaarde in haar verzoek om toestemming. Dit leidde tot het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde.
[Verweerder] c.s. stelde dat ING tekort was geschoten in haar verplichting om de koopovereenkomst na te komen en vorderde ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding. De rechtbank wees deze vorderingen af, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat ING wel tekort was geschoten, waardoor zij schadevergoeding moest betalen, maar wees de ontbindingsvordering af omdat de overeenkomst reeds was ontbonden.
In cassatie klaagde ING dat het hof onjuist had geoordeeld over de toepassing van art. 6:23 lid 2 BW Pro (redelijkheid en billijkheid bij voorwaardelijke overeenkomsten) en buiten de rechtsstrijd was getreden door een andere grondslag voor ontbinding aan te nemen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet aan art. 6:23 lid 2 BW Pro was toegekomen omdat het de vraag naar tekortkoming in nakoming had beantwoord, en dat het hof inderdaad buiten de rechtsstrijd was getreden door een andere grondslag voor ontbinding aan te nemen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van ING wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat ING tekort is geschoten en schadevergoeding verschuldigd is.