ECLI:NL:PHR:2011:BP6019
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in profijtontnemingszaak wegens overschrijding termijn
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 20 april 2009 aan verzoeker de verplichting opgelegd om een bedrag van € 605.880,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verzoeker heeft tijdig cassatie ingesteld, maar de schriftuur met middelen van cassatie is niet binnen de wettelijke termijn ingediend. De aanzegging, bedoeld in artikel 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, is op 11 januari 2010 rechtsgeldig betekend. Hierdoor begon de termijn van 60 dagen voor het indienen van middelen van cassatie te lopen, die op 12 maart 2010 verstreek.
Omdat de schriftuur pas op 15 maart 2010 werd ingediend, is de termijn overschreden. De Hoge Raad oordeelt dat verzoeker daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. Dit volgt uit de toepassing van artikel 437, tweede lid, Sv, en artikel 511h Sv, die ook van toepassing is in ontnemingszaken.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de strikte toepassing van termijnen in cassatieprocedures en onderstreept het belang van correcte adresgegevens voor aanzeggingen.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van middelen van cassatie.