ECLI:NL:PHR:2011:BP5617
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis onder Wet Bopz
Betrokkene was onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en de officier van justitie verzocht om verlenging van de machtiging tot voortgezet verblijf op grond van art. 15 Wet Pro Bopz. De rechtbank verleende deze machtiging voor de duur van één jaar, gebaseerd op een geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur, die betrokkene had laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater met de diagnose schizofrenie, paranoïde type.
Betrokkene stelde in cassatie dat de verklaring onvoldoende zorgvuldig was onderbouwd omdat het onderzoek niet onafhankelijk zou zijn, dat het hoor en wederhoor niet adequaat was vanwege zijn geestelijke toestand en medicatiegebruik, en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom voortgezet verblijf noodzakelijk was en waarom de machtiging voor een jaar was verleend.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht aannam dat aan de wettelijke eisen was voldaan, ook omdat niet is vastgesteld dat de psychiater in dienst was van dezelfde instelling. De mogelijkheid tot tegenbewijs of contra-expertise was niet benut. Daarnaast was het hoor en wederhoor adequaat, mede doordat betrokkene werd bijgestaan door een advocaat en zijn wil kenbaar maakte. De motivering van de noodzaak van voortgezet verblijf en de duur van de machtiging waren voldoende en in overeenstemming met de wet.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de machtiging tot voortgezet verblijf onder de Wet Bopz.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de machtiging tot voortgezet verblijf onder de Wet Bopz.