ECLI:NL:PHR:2011:BP4802
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwing goodwillvergoeding bij beëindiging vof
Partijen zijn in geschil over de afwikkeling van hun vennootschap onder firma (vof) VMS Raadgevend Ingenieursbureau, die zij op 29 maart 2006 zijn aangegaan. De overeenkomst voorzag onder meer in een inbreng van de onderneming door eiser en een inkoop door verweerder van een 25% deelrecht tegen betaling van in totaal €186.000 in maandelijkse termijnen. Bij beëindiging van de vof zou eiser de tegenwaarde van het aandeel van verweerder uitbetalen, inclusief een goodwillvergoeding voor drie jaar vanaf 1 april 2006.
Na beëindiging stelde verweerder dat de vof nietig was en zegde hij de vof op. Eiser vorderde betaling van het resterende bedrag van de inkoopprijs minus reeds betaalde termijnen. De rechtbank wees de vordering af wegens onvoldoende toelichting. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat verweerder recht had op een goodwillvergoeding, maar dat eiser onvoldoende had gesteld of aangetoond wat de omvang daarvan was. Het hof zag daarom geen grond om de vordering toe te wijzen of een deskundige te benoemen.
In cassatie klaagt eiser over het oordeel van het hof dat geen waardering van goodwill was overgelegd en dat de vordering onvoldoende onderbouwd was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de stukken onvoldoende waren en dat het hof niet buiten de rechtsstrijd is getreden. De klachten falen en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de vordering wegens onvoldoende onderbouwing van de goodwillvergoeding.