ECLI:NL:PHR:2011:BP4801

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04368
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt peildatum bij verdeling beperkte huwelijksgoederengemeenschap

De zaak betreft een cassatieberoep van de man tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2009, waarin het hof een tussenvonnis en eindvonnis van de rechtbank Rotterdam inzake de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap tussen de man en de vrouw heeft bekrachtigd. Het hof bepaalde dat de peildatum voor de waardering van de goederen het moment van feitelijke verdeling is.

De vrouw is in cassatie niet verschenen en verstek is tegen haar verleend. Het cassatieberoep van de man berust op twee middelen: een motiveringsklacht over het oordeel van het hof dat geen concrete feiten zijn gesteld om van de hoofdregel af te wijken, en een rechtsklacht dat de hoofdregel niet zou gelden in een vernietigingsprocedure wegens benadeling.

De Hoge Raad oordeelt dat de stellingen van de man geen concrete feiten bevatten die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen en dat de klacht onvoldoende is gespecificeerd. Voorts wijst de Hoge Raad het beroep af omdat de hoofdregel dat de peildatum de datum van feitelijke verdeling is ook geldt bij verdeling na vernietiging wegens benadeling, conform eerdere jurisprudentie.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep niet tot cassatie kan leiden en wordt verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Conclusie

09/04368
Mr L. Strikwerda
Zt. 11 febr. 2011
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het (tijdig) door eiser tot cassatie, hierna: de man, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van 7 juli 2009 van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van de man bekrachtigd een tussenvonnis van 10 december 2003 en een eindvonnis van 8 november 2006 van de rechtbank Rotterdam inzake de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap waarin de man en verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, waren gehuwd, en voorts de man veroordeeld om mee te werken aan een door een notaris op te maken akte van verdeling en levering van de voormalige echtelijke woning.
2. De vrouw is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
3. Het cassatieberoep berust op twee middelen. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Middel I keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 10 - dat de man geen relevante feiten en omstandigheden heeft gesteld om af te wijken van de hoofdregel dat bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen als peildatum voor de waardering het moment van de feitelijke verdeling geldt. Volgens het middel is dit oordeel van het hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd in het licht van de in r.o. 6 e.v. van het arrest weergegeven stellingen van de man.
5. Het middel kan geen doel treffen omdat, anders dan het middel stelt, de door het hof weergegeven stellingen van de man geen concrete feiten en omstandigheden betreffen waaruit kan volgen dat partijen een andere peildatum dan het moment van de feitelijke verdeling zouden zijn overeengekomen dan wel dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid zou moeten worden afgeweken van het moment van de feitelijke verdeling.
6. Voor zover het middel voorts als klacht aanvoert dat het oordeel van het hof bovendien onvoldoende is gemotiveerd omdat de man "nog andere zaken" heeft genoemd die reden geven voor afwijking van de hoofdregel, voldoet deze klacht niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. Het middel geeft immers in het geheel niet aan op welke "andere zaken" hier wordt gedoeld en vermeldt ook geen vindplaatsen in de gedingstukken.
7. Middel II is eveneens gericht tegen r.o. 10 van het bestreden arrest en bevat een rechtsklacht. Het verwijt het hof te hebben miskend dat - kort gezegd - de door het hof bedoelde hoofdregel met betrekking tot de peildatum voor de waardering niet kan worden gehanteerd in een vernietigingsprocedure wegens benadeling.
8. Het middel faalt omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het onder meer in HR 22 maart 1996, LJN: AD2515, NJ 1996, 710 nt. WMK, en HR 6 september 1996, LJN: ZC2130, NJ 1997, 593 nt. WMK, geformuleerde uitgangspunt dat bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen, ter bepaling van hun waarde, in beginsel moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, geldt ook ten aanzien van de verdeling na vernietiging wegens benadeling. Zie HR 8 december 2006, LJN: AZ0760, NJ 2006, 606.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,