ECLI:NL:PHR:2011:BP4678
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en overschrijding beroepstermijn
Verzoeker tot cassatie, een alleenstaande man met een WBB-uitkering, diende bij de rechtbank Amsterdam een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met een schuldenlast van ruim €108.000, waaronder een boeteschuld aan het CJIB.
De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van de CJIB-schuld en geen omstandigheden had aangevoerd die toepassing van artikel 288 lid 3 FW Pro rechtvaardigden. Het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
Verzoeker kwam in cassatie, maar de Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. De inhoudelijke klachten over het oordeel van het hof werden verworpen omdat het hof's feitelijke oordelen begrijpelijk waren en verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de schulden onder controle waren.
De Hoge Raad concludeerde dat het niet aannemelijk was dat verzoeker te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden en dat dit oordeel de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering rechtvaardigde. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn en het verzoek tot schuldsanering is afgewezen.