ECLI:NL:PHR:2011:BP3862

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02705
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 81 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt zelfstandige strafbaarheid van voorbereidingshandelingen bij cocaïnesmokkel

In deze zaak stond de vraag centraal of de voorbereidingshandelingen van de verdachte en haar mededaders, gericht op het binnenbrengen van circa 25 kilogram cocaïne, strafbaar zijn, ook al was de koffer met cocaïne niet daadwerkelijk aangetroffen. De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van het feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid en dat de verdachte niet wist dat het om cocaïne ging. De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie en benadrukte het zelfstandige karakter van artikel 10a Opiumwet, dat strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen mogelijk maakt zonder dat een concrete partij harddrugs hoeft te zijn aangetroffen.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij zich schuldig maakte aan voorbereiding van invoer van cocaïne, mede gelet op haar eigen verklaring dat zij vermoedde dat het om cocaïne ging. Het feit dat de koffer niet werd gevonden, ontneemt de strafbaarheid van de voorbereidingshandelingen niet. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor medeplegen van voorbereiding van invoer van cocaïne en verwerpt het cassatieberoep.

Conclusie

Nr. 09/02705
Mr. Vegter
Zitting 1 februari 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 3 juli 2009 wegens "Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar.
2. Mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op 17 januari 2006 en 18 januari 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 25 kilogram cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen,
- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en
- zich en/of anderen inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen
immers hebben verdachte en haar mededader(s) opzettelijk
- een ontmoeting gearrangeerd en bijgewoond en persoonlijke en telefonische gesprekken gevoerd over
* data en/of tijdstippen van aankomst van de koffer met cocaïne
* op welke wijze de koffer te herkennen zou zijn aan kleur en riem van de koffer en anderszins,
* het kijken of de koffer met cocaïne achterhaald kon worden;
- zich naar Schiphol begeven om te laten zoeken naar de cocaïne en voor voormelde ontmoetingen;
- gekeken of de koffer met cocaïne kon worden achterhaald in Nederland."
3.3. Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het Hof voorts overwogen:
"Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij niet precies wist wat zich in de koffer bevond. Zij wist echter wel dat de personen die haar vroegen uit te kijken naar de koffer, zich bezig hielden met de smokkel van geld en cocaïne. Voorts heeft zij verklaard dat zij er van uitging dat het een "foute koffer" was. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door zich onder deze omstandigheden te bemoeien met de zoektocht naar de koffer, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij zich schuldig maakte aan de voorbereiding van de invoer van cocaïne."
3.4. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10 van Pro de Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10) deze dienen. Indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wèl gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbare karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan.(2)
3.5. In art. 10a, derde en vierde lid, zijn dus handelingen strafbaar gesteld die liggen in de fase vóór die van de strafbare poging. Er hoeft (nog) geen relatie te zijn tussen de - met een bijzonder opzet uitgevoerde - handelingen en een bepaalde hoeveelheid harddrugs. Anders gezegd: om wegens een van die handelingen in de voorfase strafbaar te zijn hoeft er nog niet een concrete stof te zijn opgedoken, laat staan dat daarvan zou moeten vaststaan dat het een hard drug is.(3)
Dat betekent dat als de betrokkene iemand tracht te bewegen - bijvoorbeeld door het beloven van geld of door het verschaffen van inlichtingen - om cocaïne in Nederland in te voeren of wanneer de betrokkene cocaïne tracht te verkrijgen ten behoeve van de verdere verkoop daarvan, hij strafbaar is, ook al is er nog geen concrete partij afgezonderd en aanwijsbaar die het voorwerp van het beoogde invoeren of de beoogde aankoop zou moeten worden. Hetzelfde geldt ingeval het misdrijf niet meer kon worden voltooid omdat de beoogde partij al was inbeslaggenomen.(4)
3.6. Anders dan de steller van het middel wil, kan het bewezenverklaarde wel degelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Daarbij doet, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 en 3.5 is overwogen, niet terzake dat uit die bewijsmiddelen niet kan volgen dat daadwerkelijk sprake was van een koffer met cocaïne. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de voorbereidingshandelingen van de verdachte en haar mededaders gericht waren op een misdrijf dat in hun voorstelling concrete vormen had aangenomen, namelijk de invoer van een koffer met 25 kilogram cocaïne. Dat is voldoende. Dat een dergelijke koffer niet is aangetroffen, ontneemt aan de handelingen van de verdachte en haar mededaders niet hun zelfstandig strafbaar karakter.
Ook kan uit de bewijsmiddelen volgen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen, anderen heeft getracht te bewegen om een hoeveelheid cocaïne binnen Nederland te brengen. De als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van de verdachte houdt immers in dat sprake was van een 'verloren' koffer. Het Hof heeft veilig mogen aannemen dat het handelen van de verdachte was gericht op het opsporen van die 'verloren' koffer en dat het de bedoeling was die koffer Nederland in te brengen.
Het middel bevat tenslotte de klacht dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte heeft geweten dat de personen die haar vroegen uit te kijken naar de koffier zich bezig hielden met de smokkel van geld en cocaïne, nu dit uit gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer kan volgen. De als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van de verdachte houdt in dat zij wel het vermoeden had dat het om cocaïne ging, maar dat het ook geld had kunnen zijn, omdat mr. X ook in geldsmokkel deed. Dat lijkt mij voldoende.
3.7. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte] (09/02701) en [verdachte] (09/02706) waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.
2 HR 13 maart 2001, LJN AB0494, NJ 2001/338. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Jörg vóór HR 14 november 2006, LJN AY9246 (HR: 81 RO) (niet gepubliceerd).
3 HR 28 maart 2000, LJN ZD1764, NJ 2000/491 en HR 13 maart 2001, LJN AB0494, NJ 2001/338.
4 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot mr. Bleichrodt vóór HR 27 november 2007, LJN BB8762.