ECLI:NL:PHR:2011:BP3281
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toetsing van dwangsomsanctie bij omgangsregeling in familierechtelijke zaak
In deze familierechtelijke zaak staat de dwangsomsanctie bij een omgangsregeling centraal. De moeder en vader hebben een gezamenlijk gezag over hun zoon, die bij de moeder woont. De vader verzocht de rechtbank om een omgangsregeling, waarna de kinderrechter een regeling trof met dwangsomsanctie bij niet-naleving.
De moeder stelde zich op het standpunt dat de dwangsomsanctie onterecht was opgelegd en dat de hoogte ervan disproportioneel was, omdat deze hoger zou zijn dan het deel van haar uitkering waarop beslag mogelijk is. Het hof bevestigde de dwangsomsanctie en oordeelde dat de moeder geen grief had gericht tegen de hoogte van de dwangsom.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof de grief over de hoogte van de dwangsom niet onbegrijpelijk heeft uitgelegd en dat de moeder in cassatie geen belang heeft bij deze klacht. De beslagvrije voet waarborgt het maatschappelijk minimaal vereiste bestaansniveau, en de dwangsomsanctie zelf bedreigt dit niet zolang de hoofdveroordeling wordt nageleefd.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de dwangsomsanctie gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de dwangsomsanctie bij de omgangsregeling blijft gehandhaafd.