ECLI:NL:PHR:2011:BP2449
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering wegens verduistering en diefstal in dienstbetrekking volgens RICO-feiten
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van Nederland aan de Verenigde Staten van Amerika gericht op een opgeëiste persoon die wordt verdacht van diverse feiten binnen het kader van het RICO-feit, waaronder diefstal van een LaFrance-pistool en verduistering via frauduleuze verzekeringsfacturen.
De Rechtbank te Haarlem heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard, waarbij zij oordeelde dat de feiten voldoende concreet waren omschreven en niet verjaard, mede omdat het ging om voortdurende delicten waarvan de verjaring pas begon te lopen na beëindiging van de dienstbetrekking in 2003. De verdediging voerde aan dat de feiten onvoldoende concreet waren en verjaard, en dat de opgeëiste persoon kennelijk onschuldig was omdat hij het wapen zou hebben gekocht.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van de Rechtbank dat de feiten voldoende concreet zijn en niet verjaard, mede door stuiting van de verjaring door aanhoudingsbevelen in 2008. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de opgeëiste persoon zijn kennelijke onschuld niet onverwijld heeft aangetoond, omdat het verband met het specifieke wapen niet zonder diepgaand onderzoek kan worden vastgesteld. Het verzoek om getuigen te horen werd daarom terecht afgewezen.
De middelen van cassatie falen en de uitlevering blijft toelaatbaar. De Hoge Raad ziet geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toelaatbaarheid van uitlevering wegens verduistering en diefstal in dienstbetrekking en verwerpt het cassatieberoep.