ECLI:NL:PHR:2011:BP2332

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04657
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:127 BWArt. 6:136 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging samenleving en financiële afwikkeling bij samenwoning met verrekening

Partijen, die sinds circa 1972 een affectieve relatie hadden en sinds 1981 een notariële samenlevingsovereenkomst, beëindigden hun samenwoning in maart 2001. De vrouw vorderde vergoeding en verdeling van financiële middelen na beëindiging van de relatie. De rechtbank veroordeelde de man tot betaling van een bedrag aan de vrouw, waarbij het verweer van de man tot verrekening met een tegenvordering wegens geldopnamen werd afgewezen.

In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de man tot betaling van een hoger bedrag aan de vrouw. Het hof oordeelde dat de man geen gespecificeerde tegenvordering had ingesteld en dat de vrouw aannemelijk had gemaakt dat de geldopnamen door haar waren gebruikt voor gezamenlijke kosten. Het beroep op verrekening werd daarom afgewezen.

De man stelde in cassatie dat het hof onjuist had geoordeeld door het verweer als verrekening te kwalificeren en dat de initiële vordering van de vrouw verminderd moest worden met de opgenomen bedragen die zij niet kon verantwoorden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat verrekening slechts kan plaatsvinden indien de tegenvordering eenvoudig vaststaat en voldoende is onderbouwd. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand zonder verrekening van de geldopnamen.

Conclusie

09/04657
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting 28 januari 2011
CONCLUSIE inzake:
[Eiser],
eiser tot cassatie,
adv.: mr. P. Garretsen,
tegen:
[Verweerster],
verweerster in cassatie,
adv.: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Partijen (hierna: de man resp. de vrouw) hebben omstreeks 1972 een affectieve relatie met elkaar gekregen en zijn nadien gaan samenwonen. Op 17 augustus 1981 hebben zij een notariële samenlevingsovereenkomst laten opmaken. De samenwoning is op 25 maart 2001 beëindigd. Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de financiële afwikkeling van hun samenleving.
2. Op vordering van de vrouw heeft de rechtbank Breda bij vonnis van 30 mei 2007 de man veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag ad € 33.623,44 ter zake van vergoeding en verdeling. Daarbij heeft de rechtbank het verweer van de man, houdende een beroep op verrekening met een tegenvordering van de man jegens de vrouw ad € 45.055,38 wegens geldopname van een bankrekening, verworpen op grond dat de gegrondheid van het verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (rov. 4.16).
3. Op het hoger beroep van de man en het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij arrest van 14 juli 2009 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 82.585,69 ter zake van vergoeding en verdeling. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:
"4.27. De vierde grief van de man heeft betrekking op de afwijzende beslissing van de rechtbank ten aanzien van zijn beroep op verrekening in verband met geldopnamen die de vrouw in maart 2001 heeft gedaan. De man stelt zich op het standpunt dat, voor zover hij al gehouden zou zijn tot betaling van enige vergoeding aan de vrouw, die vergoeding verrekend moet worden met de bedragen die de vrouw onrechtmatig heeft opgenomen vlak voor en na haar vertrek uit de woning in België. Het gaat daarbij om een geldopname van € 11.378,44 op 11 maart 2001 van de op naam van de man staande privé-rekening in België en een geldopname van € 45.055,38 op 28 maart 2001 van de gezamenlijke Belgische rekening.
4.28. De vrouw erkent genoemde bedragen te hebben opgenomen, maar zij stelt dat deze niet voor verrekening in aanmerking komen, omdat de geldopnamen door haar zijn aangewend voor de betaling van diverse gezamenlijke kosten. Zij stelt daarmee onder andere een fornuis, een belastingschuld van de man en een RVS-schuld, alsmede leveranciers en bouwlieden te hebben betaald. Subsidiair stelt de vrouw dat de man hoogstens aanspraak kan maken op terugbetaling van de helft van de opgenomen bedragen, omdat zowel de Belgische privé-rekening van de man als de gezamenlijke Belgische rekening werden gevoed met de inkomsten van de gezamenlijke rekening van partijen bij de VSB-bank (thans Fortis ASR) in Nederland.
4.29. Het hof overweegt hieromtrent dat voor een beroep op verrekening is vereist dat de tegenvordering op eenvoudige wijze is vast te stellen en voldoende vast staat. De vrouw heeft de gepretendeerde tegenvordering gemotiveerd betwist en bij gebreke van een nadere onderbouwing door de man staat zijn vordering geenszins vast. De man heeft terzake van de hier bedoelde gelden geen reconventionele vordering ingesteld. Op grond hiervan is het hof met de rechtbank van oordeel dat het beroep op verrekening dient te worden afgewezen. De vierde grief in het principaal appel faalt derhalve."
In rov. 4.29 geeft het hof klaarblijkelijk toepassing aan het bepaalde in art. 6:136 BW Pro.
4. Het door de man tijdig ingestelde cassatieberoep omvat één middel en is (blijkens onderdeel 1) gericht tegen de hierboven aangehaalde rov. 4.27 t/m 4.29, in samenhang met rov. 4.31 en het dictum van het arrest van het hof.
5. Volgens de hoofdklacht in onderdeel 12 (de onderdelen 2 t/m 11 bevatten geen klachten) heeft het hof in zijn rov. 4.29 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans -toepassing. Deze klacht wordt uitgewerkt en toegelicht in de onderdelen 12.1 t/m 12.4.
6. De klacht strekt in de kern tot betoog, zo begrijp ik uit de onderdelen 12.1 t/m 12.4 in onderling verband, dat het hof het verweer van de man ten onrechte in de sleutel van verrekening (art. 6:127 BW Pro) heeft gezet. Daartoe wordt aangevoerd dat (de stellingen van de man bezwaarlijk anders kunnen worden begrepen dan dat) reeds de initiële vordering van de vrouw - afgezien van een eventuele tot het (gedeeltelijk) tenietgaan van die vordering leidende verrekening met een tegenvordering van de man - naar omvang niet meer bedraagt dan hetgeen de vrouw toekomt wegens vergoeding en verdeling, verminderd met de door haar van de rekeningen opgenomen bedragen, en wel omdat zij niet heeft kunnen voldoen aan de op haar rustende last te bewijzen dat de opgenomen gelden aan de door haar gestelde (gemeenschappelijke) doelen zijn besteed. Kortom: het hof kon aan verrekening met enige tegenvordering van de man niet toekomen.
7. De klacht faalt. Voorop staat dat in hoger beroep geen grieven zijn gericht tegen de kwalificatie door de rechtbank van het verweer van de man als een beroep op verrekening met een door hem gepretendeerde tegenvordering.(1) Integendeel, de man heeft in het kader van zijn grief 4 een expliciet beroep gedaan op verrekening met een tegenvordering zijnerzijds (MvG onder 16, 19, 21 en 22). Het hof was derhalve aan voornoemde kwalificatie gebonden. Bovendien was 's hofs uitleg van de stellingen van de man, anders dan het middel lijkt te betogen, niet onbegrijpelijk.
Voorts is in cassatie geen klacht gericht tegen het oordeel van het hof omtrent de omvang van de vordering van de vrouw uit hoofde van vergoeding en verdeling (rov. 4.24, 4.25 en 4.30). Niet valt in te zien dat bij de vaststelling van de initiële omvang van die vordering - vóór verrekening - in mindering moet worden gebracht hetgeen de vrouw heeft opgenomen en niet heeft kunnen verantwoorden.
8. Onderdeel 12.5 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en faalt derhalve eveneens.
9. Nu het de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie rov. 4.16 van het vonnis van 30 mei 2007. Het verweer is door de rechtbank verworpen met toepassing van art. 6:136 BW Pro.