ECLI:NL:PHR:2011:BP2320
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwikkeling huwelijksgoederengemeenschap en gezag van gewijsde bij schuldenverdeling
De zaak betreft de afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd en in 1995 zijn gescheiden. De man vorderde in 2006 een nadere verdeling van het saldo van de ontbonden gemeenschap, stellende dat bepaalde schulden waren overgeslagen bij de eerdere verdeling in 2000.
De rechtbank Rotterdam wees de vordering af omdat de man niet aannemelijk had gemaakt dat het om andere schulden ging dan reeds buiten de verdeling gehouden schulden in het vonnis van 21 december 2000, dat in kracht van gewijsde was gegaan. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat schulden geen goederen zijn en niet als zodanig kunnen worden verdeeld.
De man stelde in cassatie dat het hof het gezag van gewijsde onjuist had toegepast en dat de schulden onverdeeld waren gebleven en daarom alsnog verdeeld konden worden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het gezag van gewijsde aan het eerdere vonnis toekomt, waardoor dezelfde schulden niet opnieuw kunnen worden verdeeld. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de schulden kunnen niet opnieuw worden verdeeld vanwege gezag van gewijsde.