ECLI:NL:PHR:2011:BP1498

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02506
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 RvArt. 398 RvArt. 80 ROArt. 81 RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep wegens schending hoor en wederhoor in procedure over online abonnement

In deze zaak vorderde BER B.V. betaling van een bedrag van € 1.229,85 van eiseres wegens een online afgesloten abonnement. De kantonrechter veroordeelde eiseres tot betaling van € 974,40 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, en bijkomende kosten. Eiseres kwam hiertegen in cassatie, stellende dat zij en haar gemachtigde buiten hun schuld niet bij de comparitie aanwezig waren en dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden doordat zij geen kennis konden nemen van het proces-verbaal en niet konden reageren op de stellingen van BER.

De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over schending van het beginsel van hoor en wederhoor faalde wegens gebrek aan belang, omdat de kantonrechter zijn oordeel baseerde op schriftelijke conclusies en niet op de comparitie. Daarnaast stelde eiseres dat het vonnis onvoldoende gemotiveerd was omdat de kantonrechter niet had ingegaan op de stelling dat BER de overeenkomst niet schriftelijk per e-mail had bevestigd zoals vereist door de wet E-commerce. Deze motiveringsklacht werd niet ontvankelijk verklaard omdat de rechtsopvatting van de kantonrechter niet in cassatie ter discussie kan worden gesteld.

Het cassatieberoep werd derhalve deels verworpen en deels niet-ontvankelijk verklaard, waarna de Hoge Raad het beroep geheel verwierp. Er werden geen nieuwe rechtsvragen gesteld die voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling van belang waren. De uitspraak bevestigt het belang van het beginsel van hoor en wederhoor en de beperkingen van cassatie bij motiveringsklachten over rechtsopvattingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter blijft in stand.

Conclusie

Zaaknr. 09/02506
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 12 november 2010
Conclusie inzake:
[Eiseres]
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BER B.V.
Deze zaak betreft een op de voet van art. 80 lid 1 RO Pro ingesteld cassatieberoep.
1. Procesverloop(1)
1.1 Verweerster in cassatie, BER, heeft eiseres in cassatie, [eiseres], bij inleidende dagvaarding van 15 november 2007 gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, en heeft daarbij - kort gezegd - veroordeling van [eiseres] gevorderd om aan haar een bedrag van € 1.229,85 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 974,40 vanaf 7 november 2007, ter zake van een door [eiseres] online afgesloten abonnement.
1.2 [Eiseres] heeft bij conclusie van antwoord betwist dat zij met BER heeft gecontracteerd en voorts dat zij buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.
1.3 Na verdere conclusiewisseling en een op 10 februari 2009 gehouden comparitie heeft de kantonrechter [eiseres] bij vonnis van 13 maart 2009 veroordeeld tot betaling aan BER van een bedrag van:
- € 974,40 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 november 2007;
- € 150,- aan buitengerechtelijke kosten en
- € 105,45 aan rente, berekend tot 7 november 2007.
1.4 [Eiseres] is tijdig(2) van dit eindvonnis in cassatie gekomen.
Tegen BER is verstek verleend.
[Eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.
2. Ontvankelijkheid
2.1 Tegen het bestreden vonnis van de kantonrechter stond ingevolge art. 332 Rv Pro. geen hoger beroep open nu het bedrag waarover de kantonrechter had te beslissen, niet meer beliep dan € 1.750,-(3) en derhalve op de voet van art. 398, aanhef en onder 1° Rv. wel beroep in cassatie. Hoewel ingevolge art. 80 RO Pro op straffe van niet-ontvankelijkheid niet kan worden geklaagd over schending van het recht, heeft de Hoge Raad bij arrest van 16 maart 2007 beslist dat tevens als grond voor cassatie moet worden aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken(4).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
3.1 Het cassatieberoep bevat twee onderdelen.
Middelonderdeel A betoogt dat [eiseres] en haar gemachtigde buiten hun schuld niet ter comparitie zijn verschenen en klaagt vervolgens dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door de gemachtigde van [eiseres] niet de gelegenheid te bieden kennis te nemen van het proces-verbaal van de comparitie alsmede door hem niet de gelegenheid te bieden te reageren op hetgeen ter comparitie door BER B.V. naar voren was gebracht(5).
3.2 De klacht faalt bij gebrek aan belang nu de kantonrechter zijn oordeel heeft gegrond op hetgeen partijen in hun conclusies naar voren hebben gebracht en niet op hetgeen ter comparitie is voorgevallen.
3.3 Middelonderdeel B is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat tussen [eiseres] en BER een overeenkomst tot stand is gekomen. Het onderdeel klaagt dat het vonnis van de kantonrechter niet de gronden bevat waarop het rust, nu de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op de essentiële stelling dat BER volgens de wet E-commerce de overeenkomst schriftelijk, per e-mail moet bevestigen. Het onderdeel stelt dat BER bij repliek heeft toegegeven dat zij dat niet heeft gedaan.
3.4 Voor zover het onderdeel er al niet toe strekt de juistheid van de rechtsopvatting waarvan de kantonrechter is uitgegaan ter discussie te stellen(6), kan de motiveringsklacht niet worden beoordeeld zonder in die beoordeling mede te betrekken de juistheid van de rechtsopvatting waarvan de kantonrechter blijk geeft, te weten de opvatting dat de bevestigingsprocedure die BER heeft gehanteerd voldoet aan de eisen die de wet E-commerce daaraan stelt, en die in cassatie niet ter discussie kan worden gesteld(7). In beide gevallen stuit het middel af op art. 80 RO Pro en is [eiseres] mitsdien in zoverre niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.
3.5 Het cassatieberoep dient mitsdien deels te worden verworpen (onderdeel A) en deels is [eiseres] daarin niet-ontvankelijk (onderdeel B). Nu het middel geen rechtsvragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. het beste geheel worden verworpen, met gebruikmaking van art. 81 RO Pro.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping als hiervoor onder 3.5 bedoeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Voor zover thans van belang. Zie de tussenvonnissen van de kantonrechter te Amsterdam van 25 januari 2008 en 22 augustus 2008 en het eindvonnis van 13 maart 2009. De kantonrechter heeft geen feiten vastgesteld.
2 De cassatiedagvaarding is op 12 juni 2009 uitgebracht.
3 Zie onder 1.1.
4 LJN AZ1490 (NJ 2007, 637 m.nt. H.J. Snijders).
5 In de s.t. wordt het cassatieberoep nog uitgebreid met een klacht over strijd met het landelijk rolreglement. Deze klacht, waarin ten onrechte wordt verwezen naar het landelijk rolreglement voor de rechtbanken en niet naar die van de sectoren kanton (Stc. 2007/244, p. 31), is tardief.
6 Zie bijv. HR 31 oktober 2003, LJN AJ3207 (NJ 2004, 680).
7 Zie bijv. HR 11 december 1987, LJN AC2262 (NJ 1988, 338).