ECLI:NL:PHR:2011:BP1168
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ongegronde bewijsklacht omtrent verklaring verbalisant over nepdopehandel
In deze zaak stond centraal de vraag of de verklaring van een verbalisant, die constateerde dat op een bepaalde locatie nepdope werd aangeboden, als bewijsmiddel mocht worden gebruikt. De verbalisant had in zijn proces-verbaal beschreven dat hij had waargenomen hoe verdachte pilletjes aan anderen gaf die deze vervolgens aan voorbijgangers aanboden en daarvoor geld ontvingen.
De verdediging voerde aan dat de term 'nepdope' geen duidelijke definitie heeft en dat de verklaring van de verbalisant een ontoelaatbare gissing of gevolgtrekking bevatte, omdat alleen onderzoek van het aangeboden middel kan vaststellen of het om nepdope gaat. De Hoge Raad overwoog dat nepdope in de maatschappelijke en bestuurlijke context wordt opgevat als op drugs gelijkende waar die daarvoor moet doorgaan, en dat het doel van de relevante APV-bepaling is de overlast door het aanbieden van dergelijke middelen te bestrijden, ongeacht of het om echte of neppe middelen gaat.
De Hoge Raad concludeerde dat de verklaring van de verbalisant geen ontoelaatbare gissing inhoudt, maar een waarneming van overlast door kleinschalige (nep)drugshandel. Het feit dat de verbalisant veiligheidshalve niet stelde dat het om echte drugs ging, doet niet af aan de toelaatbaarheid van zijn verklaring als bewijsmiddel. Het cassatiemiddel werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatiemiddel werd verworpen en het arrest van het hof waarin verdachte werd veroordeeld wegens overtreding van artikel 2.2 APV 1994 bleef in stand.