ECLI:NL:PHR:2011:BP0453

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04272 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434 lid 1 SvArt. 50 Wajong
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt deel van arrest over draagkracht bij profijtontneming

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem dat de veroordeelde verplichtte tot betaling van €7.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit diefstallen. Het hof had geoordeeld dat geen stukken waren overgelegd over de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de veroordeelde en dat redelijkerwijs verwacht kon worden dat hij in de toekomst aan de betalingsverplichting zou kunnen voldoen.

De verdediging had aangevoerd dat het hof ten onrechte had aangenomen dat geen stukken over arbeidsongeschiktheid waren overgelegd, terwijl ter terechtzitting een advies van een arbeidsdeskundige was ingediend waaruit blijkt dat de veroordeelde gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en mogelijk aanspraak maakt op een Wajonguitkering.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof over de draagkracht van de veroordeelde niet begrijpelijk is gelet op het overgelegde arbeidsdeskundig advies. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de betalingsverplichting betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de motivering van het hof niet onbegrijpelijk is, maar dat het arbeidsdeskundig advies wel degelijk relevant is voor de beoordeling van de draagkracht. De zaak wordt daarmee deels terugverwezen voor een zorgvuldige herbeoordeling van de financiële draagkracht van de veroordeelde.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover het de draagkracht betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 09/04272 P
Mr. Vellinga
Zitting: 4 januari 2011
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft het door de veroordeelde uit "Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" (feit 2), "Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" (feit 7) en een tweetal ad informandum gevoegde feiten (Incidenten 5 en 6) verkregen voordeel vastgesteld op € 7.949,05 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,--.
2. Namens veroordeelde heeft mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat het Hof in zijn overwegingen over de verplichting tot betaling aan de Staat (p. 6 van het arrest) ten onrechte overweegt dat geen stukken zijn overgelegd met betrekking tot de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van veroordeelde.
4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"De verplichting tot betaling aan de Staat
Gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, in het bijzonder zijn draagkracht op dit moment, acht het hof gronden aanwezig om het door de veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag.
Het hof gaat er daar bij wel van uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de veroordeelde, gelet op zijn jonge leeftijd en het feit dat er geen stukken zijn overgelegd met betrekking tot de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van veroordeelde en een mogelijke Wajonguitkering, in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.
Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op € 7.000,-."
5. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2009 is door de veroordeelde ter zitting overgelegd een stuk betreffende de conclusie van Berkens, arbeidsdeskundige.
6. Voornoemd stuk - hetwelk zich bij de op voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt - houdt in:
"(...)
5. CONCLUSIE
- Cliënt is arbeidsongeschikt voor de vrije arbeidsmarkt. Er zijn misschien mogelijkheden na begeleiding.
- Cliënt is per einde wachttijd op theoretische gronden voor 80 -100 % arbeidsongeschikt voor de WAJONG te beschouwen.
- Op grond van de ons te beschikking staande gegevens dient
Cliënt onder toepassing van art 50 Wajong Pro beschouwd te worden als ware hij in: maart 2008: 65-80 %; april mei, juni en juli 2008 < 25%; augustus 2008: 35-45% en oktober <25% arbeidsongeschikt te beschouwen in de zin van de Wajong.
- Cliënt wordt verzocht per omgaande inkomens gegevens te verstrekken van december 2007 tot 23-03-2008 en over de periode na 02-11-2008 tot heden.
- Voor begeleiding naar mogelijkheden elders op de arbeidsmarkt wordt opdracht verstrekt voor het maken van een bemiddelingsplan.
6 Planning
Een advies conform de conclusies kan uitgaan en dossier kan verder administratief verwerkt worden.
Herbeoordeling op grond van te ontvangen loongegevens over de gevraagde periodes.
Dhr. H.J.M. Berkers register arbeidsdeskundige"
7. Het Hof heeft zijn oordeel dat redelijkerwijs te verwachten is dat de veroordeelde in de toekomst in staat zal zijn om te voldoen aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,-- mede doen steunen op de omstandigheid dat geen stukken zijn overgelegd met betrekking tot de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van veroordeelde (en een mogelijke Wajong-uitkering). Dit oordeel is, gelet op het hiervoor onder 6 door de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep aan het Hof overgelegde stuk, niet begrijpelijk.
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing ten aanzien van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag, en in zoverre tot terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG