ECLI:NL:PHR:2011:BP0299

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01113 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vermindering ontnemingsbedrag wegens vordering benadeelde partij

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de veroordeelde veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €3.570,-. De veroordeelde stelde cassatie in tegen deze beslissing met het middel dat het hof niet had voldaan aan artikel 36e, zesde lid, Sr door de vorderingen van benadeelde partijen niet in mindering te brengen op het ontnemingsbedrag.

Het hof had de vordering van benadeelde partij 2 niet in mindering gebracht omdat deze betrekking had op een ander feit dan het ontnemingsfeit, waardoor dubbele terugbetaling werd voorkomen. Echter, de vordering van benadeelde partij 1 had wel betrekking op hetzelfde feit als de ontneming, maar was niet in mindering gebracht.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit verzuim kan herstellen door alsnog de vordering van €125,- van benadeelde partij 1 in mindering te brengen op het ontnemingsbedrag. Hierdoor wordt het te betalen bedrag verminderd tot €3.445,-. De rest van het cassatieberoep wordt verworpen.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 36e, zesde lid, Sr bij de vaststelling van het bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij rekening gehouden kan worden met vorderingen van benadeelde derden indien deze betrekking hebben op hetzelfde feit.

Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt verminderd tot €3.445,- door in mindering brengen van de vordering van een benadeelde partij.

Conclusie

Nr. S 09/01113 P
Mr. Vegter
Zitting 4 januari 2011
Conclusie inzake:
[Betrokkene = veroordeelde]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de veroordeelde op 3 maart 2009 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 3.570,- (drieduizend vijfhonderdzeventig euro).
2. Namens veroordeelde heeft mr. B.Kizilocak, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld en hebben mr. B.Kizilocak en mr. J.M.Lintz, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 36e, zesde lid, Sr heeft verzuimd om op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld, de aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] door het Hof in de strafzaak toegekende vorderingen in mindering te brengen.
4. Het arrest in de strafzaak van 3 maart 2009 behelst voor zover van belang een veroordeling ter zake het als derde feit bewezenverklaarde medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] van respectievelijk € 32,35 en € 125,- zijn toegewezen. Het middel klaagt er terecht over dat in de ontnemingsuitspraak artikel 36e, zesde lid, Sr niet is toegepast. De vorderingen zijn niet in mindering gebracht bij de bepaling van de omvang van het voordeel. Voor de vordering van [benadeelde partij 2] was daartoe geen aanleiding nu deze ziet op een ander feit (te weten feit 2 in de strafzaak) dan de feiten waarop de ontnemingsbeslissing ziet (te weten feit 3 in de strafzaak). Daar dreigt de dubbele terugbetaling van het voordeel die ten grondslag ligt aan het zesde lid van artikel 36e Sr niet. De vordering van [benadeelde partij 1] ziet wel op de feiten die ten grondslag liggen aan de ontneming.
5. Het middel treft in zoverre doel. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.(1) De Hoge Raad kan het verzuim van het Hof herstellen door alsnog € 125,- in mindering te brengen en het te betalen bedrag te verminderen in die zin dat de hoogte daarvan € 3.445,- (vierendertigduizend vijfenveertig euro) bedraagt.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en dat de Hoge Raad de in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in mindering zal brengen op het te betalen bedrag, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 14 december 2010, LJN BO2786.