ECLI:NL:PHR:2011:BO7494
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij bestuurlijke boete
De zaak betreft een verzoeker die bij de rechtbank Amsterdam een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering indiende, maar dit verzoek werd afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan van een bestuurlijke boete. Deze boete vloeit voort uit een veroordeling die binnen vijf jaar onherroepelijk is geworden.
Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vonnis bekrachtigd na behandeling van de zaak. De verzoeker stelde in cassatie dat het hof had moeten onderzoeken of hij wel de ondernemer was die het strafbare feit had gepleegd. Het hof oordeelde echter dat de boete aan de verzoeker was opgelegd en onherroepelijk was, en dat het verzoeker zelf was die de werknemer in dienst had genomen, ondanks dat de identiteitskaart van die werknemer verlopen was.
Verder werd betoogd dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro, die een zelfstandige toetsing vereist. Het hof had geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk was dat de verzoeker te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van de schuld, mede omdat hij de verificatieplicht bij het aannemen van de werknemer niet zorgvuldig had uitgevoerd.
De verzoeker voerde aan dat hij geen onderneming meer had en daarmee de oorzaak van de schulden onder controle had, maar het hof vond dit onvoldoende onderbouwd om het verzoek alsnog toe te wijzen. De Hoge Raad concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan van de bestuurlijke boete.