ECLI:NL:PHR:2011:BO7116
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij wijziging ouderlijk gezag en omgangsregeling
In deze zaak verzocht de vader bij de rechtbank te 's-Gravenhage om medeouderlijk gezag over zijn zoon te verkrijgen en een omgangs- en informatieregeling vast te stellen. De moeder voerde verweer met het argument dat de Nederlandse rechter internationaal onbevoegd was omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Iran had. De rechtbank verwierp dit beroep en stelde de omgangs- en informatieregeling vast.
De moeder ging in hoger beroep tegen de omgangsregeling, terwijl de vader incidenteel hoger beroep instelde tegen de afwijzing van zijn gezagsverzoek. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank, wees het gezag toe aan de vader en stelde omgangs- en informatieregelingen vast. Het hof bevestigde dat de Nederlandse rechter bevoegd was omdat het kind ten tijde van het indienen van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, en dat latere wijzigingen in verblijfplaats aan deze bevoegdheid geen afbreuk doen (perpetuatio fori).
De moeder stelde in cassatie drie klachten aan het oordeel van het hof over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het perpetuatio fori-beginsel toepaste en gebonden was aan het oordeel van de rechtbank over de verblijfplaats ten tijde van de procedure. De klachten faalden wegens gebrek aan feitelijke grondslag en belang. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van het perpetuatio fori-beginsel en wijst het cassatieberoep van de moeder af.