ECLI:NL:PHR:2011:BO4029

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01687
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens tijdige kennisname dagvaarding niet bewezen

In deze zaak werd de verdachte door het hof niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het hof oordeelde dat verdachte tijdig op de hoogte was van de strafzitting in eerste aanleg. Dit oordeel was gebaseerd op een memo waarin stond dat verdachte telefonisch contact had gehad met een administratief medewerker en had aangegeven een kopie van de ontnemingsvordering te hebben ontvangen. Het hof concludeerde hieruit dat verdachte ook bekend was met de dag van de terechtzitting van de strafzaak.

De Hoge Raad stelt echter vast dat uit de memo niet blijkt dat verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de dagvaarding of de datum van de strafzitting. De memo vermeldt slechts dat verdachte een kopie van de ontnemingsvordering ontving en dat hij telefonisch contact had over zijn situatie, maar niet dat hij wist wanneer de strafzaak zou worden behandeld.

Daarom is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd en niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep. Er zijn geen andere gronden gevonden om het arrest te vernietigen.

De zaak betreft de ontvankelijkheid in hoger beroep en de juiste vaststelling van kennisname van de dagvaarding en zittingsdatum door verdachte. De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij niet-ontvankelijkverklaring op basis van vermeende tijdige kennisname.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het hoger beroep.

Conclusie

Nr. 09/01687
Mr. Vellinga
Zitting: 9 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 3 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/01687 en 09/01686P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Dit oordeel zou onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn.
5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het strafdossier van de verdachte bevindt zich een memo met dagtekening 20 juli 2006 en 28 juli 2006 van [betrokkene 1], administratief medewerker.
Daarin staat - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte uit het buitenland telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 1]. De verdachte heeft toen te kennen gegeven een kopie van de ontnemingsvordering te hebben ontvangen op zijn adres in het buitenland. Hij heeft toen verder te kennen gegeven niet naar Nederland te kunnen komen voor de behandeling van zijn zaak; hij zou proberen een raadsman te krijgen, maar als dat niet zou lukken dan zou hij voor een verstekbehandeling gaan. De verdachte heeft op 27 juli 2006 telefonisch aan [betrokkene 1] laten weten dat hij met advocaten contact heeft gehad die hem zeiden weinig voor hem te kunnen doen.
Volgens [betrokkene 1] heeft de verdachte hem een fax-bericht gestuurd waarin de verdachte heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een verstekbehandeling van zijn zaak.
Het hof maakt uit het voorgaande op dat de verdachte tijdig voor de zitting op de hoogte was van het feit dat zijn strafzaak die, gelijktijdig met zijn ontnemingszaak zou dienen van de politierechter, op 31 juli 2006 door de politierechter Rotterdam zou worden behandeld. De verdachte was daarom gehouden om binnen veertien dagen na de op 31 juli 2006 gegeven uitspraak hoger beroep in te stellen.
Uit de akte hoger beroep van de verdachte blijkt echter dat hij pas na het verstrijken van die termijn namelijk pas op 19 februari 2007 hoger beroep heeft ingesteld. De verdachte dient daarom naar het oordeel van het hof niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.
BESLISSING (bij verstek)
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."
6. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de verdachte van de gelijktijdige behandeling van strafzaak en ontnemingszaak op de hoogte was. Tegen deze achtergrond vergt het nadere motivering waarom uit verdachtes bekendheid met de dag van de terechtzitting waarop de ontnemingsvordering zou worden behandeld, voortvloeit dat de verdachte, zoals het Hof overweegt, ook (tevoren) bekend was met de dag waarop de aan die ontnemingsvordering ten grondslag liggende strafzaak zou worden behandeld. 's Hofs oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep is dus onvoldoende gemotiveerd.
7. Het middel slaagt.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG