ECLI:NL:PHR:2011:BO2639
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij belastingontduiking en witwassen
In deze zaak werd betrokkene veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 2.700.000,00, voortvloeiend uit belastingontduiking en gewoontewitwassen. Betrokkene stelde dat het hof ten onrechte art. 74 AWR Pro toepaste, waardoor ontneming bij fiscale strafbare feiten zou zijn uitgesloten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het voordeel niet uitsluitend op fiscale feiten had gebaseerd, maar ook op misdrijven waarvan het geld afkomstig was.
Het hof had vastgesteld dat de bedragen op de Duitse bankrekening van betrokkene afkomstig waren uit criminele activiteiten en niet uit legale bronnen zoals de verkoop van grond. Het voordeel uit belastingontduiking werd niet dubbel ontnomen, aangezien de Belastingdienst de belastingschuld via eigen middelen kan innen.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie, waaronder de klacht over onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De grond van de vermoedelijke verkoop van grond werd door het hof adequaat gemotiveerd als waardeloos. De conclusie van de AG was dat het beroep ongegrond is en verworpen dient te worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de ontnemingsmaatregel blijft gehandhaafd.