1 Voor de goede orde merk ik nog op dat uit art. 404, tweede lid Sv volgt dat tegen vonnissen waarbij de verdachte van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken geen hoger beroep openstaat. Getuige HR 3 april 2007, LJN AZ8393, rov. 3.5. houdt dit ook in dat indien een verdachte van een van de gevoegde feiten is vrijgesproken, hoger beroep ten aanzien van dit feit niet mogelijk is. I.c. is de verdachte ten aanzien van het eerste tenlaste gelegde feit echter ontslagen van rechtsvervolging.
2 Zie bijvoorbeeld: HR 3 april 2007, LJN AZ5505, NJ 2007, 211, rov. 3.4, HR 8 juli 2003, LJN AF8536, NJ 2003, 649, rov. 3.6, HR 1 juli 2008, LJN BC7913, NJ 2008, 409, rov. 3.5, HR 29 januari 2008, LJN BC2313, NS 2008, 83.
3 HR 1 juli 2008, LJN BC7913, NJ 2008, 409, rov. 3.4 en HR 29 januari 2008, LJN BC2313, NS 2008, 83, rov. 3.4.
4 HR 3 april 2007, LJN AZ5505, NJ 2007, 211, rov. 3.4, HR 1 juli 2008, LJN BC7913, NJ 2008, 409, rov. 3.5 en HR 29 januari 2008, LJN BC2313, NS 2008, 83 (steeds gevallen waarin het ging om beperking van het appel door het Openbaar Ministerie bij appelschriftuur.).
5 Wet van 3 oktober 2006, Stb. 470.
6 HR 1 juli 2008, LJN BC7913, NJ 2008, 409 waar dat in de conclusie wel werd bepleit.
7 Eerder HR 22 december 1987, LJN: AD0131, NJ 1989, 88.
8 In HR 10 april 1979, NJ 1979, 415, een uitleveringszaak, hechtte de Hoge Raad wel belang aan de kennelijke bedoeling van de opgeëiste persoon over de omvang van het beroep in cassatie, maar dat lijkt mij nauw verbonden aan de bijzonderheden van de uitleveringsprocedure in cassatie.
9 O.a. HR 20 juni 1967, NJ 1968, 49, m.nt Van Eck, VR 1967, 106, HR 26 augustus 1971, NJ 1972, 32, HR 10 november 1981, DD 82.065, HR 23 april 1985, NJB 1985, blz. 817, nr. 123, HR 15 juni 2004, LJN AO8813, NS 2004, 291. Voorts Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, blz. 733, en Nijboer en Schoep in T&C Strafvordering, achtste druk, blz. 1271 e.v.
10 Hoewel de benadeelde partij gebruik heeft gemaakt, van een hem door de officier van justitie toegestuurd antwoordformulier en niet van het formulier als bedoeld in art. 51b, eerste lid Sv, houdt dit antwoordformulier, waarop in essentie de door wet bedoelde gegevens zijn vermeld, onmiskenbaar de bedoeling tot voeging in. De benadeelde partij kan niet worden aangerekend dat de officier van justitie haar niet het door de wet bedoelde formulier heeft toegezonden, temeer niet nu op het antwoordformulier wel staat vermeld dat haar nog een voegingsformulier kan worden toegstuurd.
Voor de benadeelde partij [getuige 2] ligt het voorgaande niet anders. Van het feit waarop zijn vordering betrekking heeft, is de verdachte echter vrijgesproken, zodat hij in zijn voeging niet kan worden ontvangen.
11 Vgl. HR 10 mei 2005, LJN AT1812.