ECLI:NL:PHR:2011:BL6506
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over naheffing motorrijtuigenbelasting en belastingfraude bij taxivervoer
In deze zaak staat de vraag centraal of belanghebbende, een taxichauffeur, terecht naheffingsaanslagen en boetes opgelegd kreeg wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (mrb) en belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). De belastingdienst vermoedde dat in de taxi een kilometertelleronderbreker (kto) was ingebouwd, waardoor de kilometeradministratie onbetrouwbaar was. Belanghebbende slaagde er niet in dit vermoeden te ontzenuwen.
De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen mrb, maar wees de overige aanslagen en boetes toe. Het hof verklaarde de beroepen van belanghebbende en de VOF tegen de naheffingsaanslagen IB/PVV, premie Waz, bpm en OB ongegrond, maar verklaarde de beroepen tegen de boetes gegrond en matigde deze. Het hof oordeelde dat de inspecteur bevoegd was om naheffingsaanslagen mrb op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) op te leggen, omdat het geval niet viel onder de bijzondere regeling van artikel 76 van Pro de Wet mrb '94.
In cassatie klaagde belanghebbende onder meer over het feit dat het hof het bewijs van de aanwezigheid van de kto baseerde op vermoedens en getuigenverklaringen die volgens hem onvoldoende waren. De Hoge Raad overwoog dat feitelijke oordelen, zoals de vaststelling van de aanwezigheid van een kto en de beoordeling van geloofwaardigheid van verklaringen, aan de feitenrechter zijn voorbehouden en in cassatie slechts kunnen worden getoetst op onbegrijpelijkheid of onvoldoende motivering. De Hoge Raad gaf daarom in overweging de klachten te verwerpen.
Daarnaast besprak de Hoge Raad de verhouding tussen artikel 76 van Pro de Wet mrb '94 en artikel 20 van Pro de Awr. Hij concludeerde dat artikel 76 niet Pro als lex specialis geldt ten opzichte van artikel 20, maar slechts een regeling biedt voor situaties waarin de inspecteur bewijsproblemen heeft. In gevallen zoals deze, waarin de inspecteur voldoende bewijs had, kan hij op grond van artikel 20 naheffen Pro over een periode van vijf jaar. Dit betekent dat de inspecteur bevoegd was de naheffingsaanslagen mrb op grond van artikel 20 Awr Pro op te leggen.
Ten slotte ging de Hoge Raad in op de toepassing van boetes en het gebruik van bewijsvermoedens. Hij benadrukte dat vermoedens toelaatbaar zijn, maar dat bij het opleggen van boetes voor opzet een hogere bewijsstandaard geldt. De rechter moet zorgvuldig beoordelen of de boete passend en geboden is, mede rekening houdend met de omkering en verzwaring van de bewijslast. Het hof had geoordeeld dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat te weinig belasting werd geheven door het gebruik van een onbetrouwbare kilometeradministratie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de klachten van belanghebbende en bevestigt de bevoegdheid van de inspecteur tot naheffing op grond van artikel 20 Awr en de passende matiging van boetes.