ECLI:NL:PHR:2010:BO8458
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geschil over dwingende bewijskracht notariële akte bij afwikkeling convenant scheiding tafel en bed
Partijen, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, sloten een convenant in verband met hun aanstaande scheiding van tafel en bed, waarin afspraken werden gemaakt over de verdeling van woningen en financiële verplichtingen. Een notariële akte van verdeling legde vast dat de man een bedrag van € 246.890,- aan de vrouw had voldaan, inclusief een restant van € 62.500,- dat later betaald zou worden onder rente.
De man stelde dat de notariële akte dwingende bewijskracht heeft en dat hij het bedrag volledig had voldaan, terwijl de vrouw betwistte dat het restantbedrag was betaald en vorderde dat de man dit alsnog zou voldoen met rente. De rechtbank en het hof oordeelden dat de man de bewijslast droeg en dat de vrouw voldoende tegenbewijs had geleverd dat het bedrag nog niet was voldaan.
Het hof achtte bewezen dat partijen nadere afspraken hadden gemaakt over betaling van het restantbedrag en rente, en dat de man slechts gedeeltelijk had voldaan. De man stelde cassatieberoep in tegen deze oordelen, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde dat de notariële akte weliswaar dwingend bewijs is, maar dat de vrouw met voldoende bewijs kon aantonen dat de akte niet strookt met de werkelijke bedoeling van partijen.
De Hoge Raad benadrukte dat het hof terecht de bewijslastverdeling en de feiten heeft beoordeeld en dat de cassatiemiddelen niet slaagden. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de bestreden vonnissen worden bekrachtigd.