ECLI:NL:PHR:2010:BO6399

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02573 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 lid 1 SvArt. 467 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij veroordeling voor drugsdelicten

Aanvrager werd bij onherroepelijk vonnis van 6 juni 2008 door de politierechter veroordeeld voor meerdere overtredingen van de Opiumwet en kreeg een gevangenisstraf van tien maanden opgelegd. Later kwam aan het licht dat sprake was van een persoonsverwisseling: de persoon die destijds was aangehouden en als verdachte werd aangemerkt, gebruikte zonder legitimatie de identiteit van aanvrager.

Dit bleek uit een callbericht en onderzoek door een opsporingsambtenaar, die constateerde dat de foto van aanvrager niet overeenkwam met de aangehouden persoon. De officier van justitie bevestigde dat aanvrager ten onrechte als verdachte was geregistreerd. Daarnaast werd vastgesteld dat de aanhouding plaatsvond zonder juiste identificatie en dat aanvrager niet op de terechtzitting verscheen.

De Hoge Raad acht deze feiten en omstandigheden voldoende om de aanvraag tot herziening op grond van art. 457 lid 1 sub Pro 2 Sv gegrond te verklaren. De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst of opgeschort en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor een nieuwe behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond wegens persoonsverwisseling en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor herbehandeling.

Conclusie

Nr. 10/02573 H
Mr. Aben
Zitting 23 november 2010
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Aanvrager tot herziening is bij onherroepelijk vonnis van 6 juni 2008 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam wegens 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 (oud), onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", gepleegd resp. in de periode van 19 juni 2006 tot en met 19 januari 2007 en op 19 januari 2007, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
2. De aanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. J.S.W. Boorsma, advocaat te Amsterdam.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder 2° Sv, aangezien zich een persoonsverwisseling heeft voorgedaan.
4. Ter staving van de gestelde persoonsverwisseling zijn bij de aanvrage onder meer de volgende stukken overgelegd:
a) een proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2009, onder meer -voor zover van belang- inhoudende als relaas/bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1]:
"Op 8 oktober 2009 omstreeks 10:00 uur kwam ik in het bezit van het opgemaakte callbericht.
In het callbericht stond vermeld:
"Opsporing D3.
[Betrokkene 2] belt namens [aanvrager], [geboortedatum]1964. [aanvrager] verblijft momenteel in PI Ter Apel. [Aanvrager] had [betrokkene 2] de naam van collega [betrokkene 3] opgegeven. [Aanvrager] wil graag spreken met iemand van de recherche, die met zijn zaak bezig is geweest en verzoekt of er contact kan worden opgenomen met de PI Ter Apel."
Het opgemaakte callbericht kwam in mijn bezit gezien het feit dat uit een onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem, xpol, bleek dat ik stond gekoppeld als verbalisant aan een registratie waarin een persoon genaamd [aanvrager] als verdachte was aangemerkt. In 2006(1) was ik namelijk betrokken bij een onderzoek waarbij een persoon, genaamd [aanvrager] was aangehouden als verdachte. Nadat het onderzoek was afgerond werd het dossier, waarin [aanvrager] als verdachte was aangemerkt, aangeboden bij het Openbaar Ministerie.
Op 8 oktober 2009 nam ik telefonisch contact op met [betrokkene 2]. Nadat er een verbinding tot stand was gekomen maakte ik mij kenbaar als zijnde een opsporingsambtenaar van de politie te Rotterdam. [betrokkene 2] deelde mij mede dat [aanvrager] momenteel was gedetineerd in de PI Ter Apel. zij deelde mij verder mede dat [aanvrager] onterecht vast zou zitten voor een feit, welke hij niet had gepleegd. Zij kon mij niet mededelen voor welk feit [aanvrager] momenteel was ingesloten in de PI Ter Apel. Zij kon mij ook geen parketnummer mededelen.
Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:00 uur nam ik telefonisch contact op met de PI in Ter Apel. Ik maakte mij kenbaar als zijnde een opsporingsambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond.
Ik werd te woord gestaan door [betrokkene 1], een medewerkster van de PI Ter Apel.
Ik verzocht [betrokkene 1] om mij een foto te sturen van [aanvrager], die op dat moment mogelijk onterecht was geplaatst in de PI. Tevens verzocht ik [betrokkene 1] of ik in het bezit kon komen van het parketnummer van de zaak, waarvoor [aanvrager] was geplaatst in de PI.
Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:29 uur ontving ik een email van [betrokkene 1], de medewerkster van de PI Ter Apel. In de email stond het parketnummer 10-642900/07 vermeld en een foto van [aanvrager].
Op 6 oktober 2009 omstreeks 13:35 uur nam ik telefonisch contact op met het Openbaar Ministerie om na te gaan aan welke zaak het voornoemde parketnummer was gekoppeld. Uit de verstrekte informatie bleek dat het parketnummer was gekoppeld aan het dossier waarin ik een persoon genaamd [aanvrager] had aangehouden.
Ik zag dat de persoon op de foto, die mij per email was toegezonden door de medewerkster, [betrokkene 1], van de PI Ter Apel, niet de persoon was, die ik in 2006(2) had aangehouden ter zake een gepleegd strafbaar feit. Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:46 stelde ik de zaaksofficier van Justitie van mijn bevindingen op de hoogte. Direct hierop werd de executieofficier van Justitie op de hoogte gesteld van mijn bevindingen door de zaaksofficier van Justitie."
b) een brief van 13 november 2009 geadresseerd aan aanvrager afkomstig van de officier van justitie te Rotterdam, betreffende een 'sepotbeslissing'(3), houdt het volgende in:
"Datum: 13 november 2009
Ons kenmerk: 10-642900-07/RA/SBAP
Onderwerp: Kennisgeving sepot
Op mijn parket is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt. Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet (verder) te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel:
u ten onrechte als verdachte bent aangemerkt.
Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij
a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;
b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door het feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen."
c) het proces-verbaal van verhoor van de destijds aangehouden verdachte van 19 januari 2007, met proces-verbaalnummer 2006404118-42, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2], resp. brigadier en hoofdagent van Politie Rotterdam-Rijnmond, waaruit niet blijkt of en zo ja op welke wijze de identiteit van de verdachte is geverifieerd (bijv. aan de hand van een geldig legitimatiebewijs).(4) De verdachte die door de politie werd aangehouden heeft opgegeven te zijn: "[aanvrager], geboren te: [geboorteplaats], geboortedatum: [geboortedatum]1964, adres: [b-straat 1], [0000 BB plaats]." Op de vraag waar verdachtes post van politie dan wel justitie naar toe kan worden gestuurd, is als adres [c-straat 1], [0000 CC] te [plaats], opgegeven.(5)
5. Op grond van de hiervoor weergegeven stukken volgt dat de destijds aangehouden persoon, die verdacht werd van drugsdelicten, kennelijk zonder zich te hoeven legitimeren, gebruik heeft gemaakt van de identiteit van aanvrager. Voorts heeft de verbalisant [verbalisant 1] vastgesteld dat de foto van aanvrager niet overeenkomt met de persoon die hij destijds heeft aangehouden. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het proces-verbaal van [verbalisant 1] bevestigd dat aanvrager ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Deze omstandigheden vormen sterke aanwijzingen dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
Een en ander doet het ernstige vermoeden rijzen dat de politierechter bij bekendheid met deze feiten en omstandigheden de aanvrager zou hebben vrijgesproken.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de politierechter zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak op de voet van art. 467 lid 1 Sv Pro opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.(6)
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Mijns inziens is hier evident sprake van een kennelijke verschrijving van de verbalisant. Abusievelijk is als jaartal 2006 vermeld in plaats van 2007. Dat de verbalisant het over de onderhavige zaak heeft, waarvoor thans herziening is gevraagd, blijkt wel uit de correcte weergave van het parketnummer van de zaak.
2 Zie mijn opmerking onder voetnoot 1.
3 Ik merk ten overvloede op dat de officier van justitie in dit stadium - in aanmerking genomen het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van 6 juni 2008 - niet tot de beoogde sepotbeslissing had kunnen komen. Bij een gegrondverklaring van deze aanvraag tot herziening zal de zaak opnieuw moeten worden behandeld en afgedaan.
4 Evenmin blijkt dat dit is gebeurd bij de aanhouding van de verdachte. Zie het in het dossier bevindende proces-verbaal van aanhouding, met proces-verbaalnummer 2006404118-40, opgemaakt op 22 januari 2007 door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], resp. hoofdagent en brigadier van Politie Rotterdam-Rijnmond.
5 Hierbij merk ik op dat de inleidende dagvaarding voor de terechtzitting bij de politierechter van 6 juni 2008, blijkens de akte van uitreiking, tevergeefs is aangeboden op het GBA-adres van aanvrager ([b-straat 1], [0000 BB] te [plaats]) en niet op het opgegeven postadres ([c-straat 1], [0000 CC] te [plaats]). De akte heeft men niet in persoon kunnen uitreiken. De verdachte is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting aldaar niet verschenen.
6 Vgl. o.m. HR 9 december 2008, LJN BG6299 en HR 7 april 2009, LJN BH9954.