ECLI:NL:PHR:2010:BO6055

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02975
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 2 FwArt. 350 lid 1 FwArt. 350 lid 3 sub f Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van toepassing en beëindiging van de schuldsaneringsregeling bij bekendheid relevante feiten

De zaak betreft een cassatieberoep van de bewindvoerder tegen een arrest van het gerechtshof dat het vonnis van de rechtbank vernietigde waarin de schuldsaneringsregeling van verweerders was beëindigd wegens het ernstig benadelen van schuldeisers. De rechtbank had de regeling beëindigd op grond van art. 350 lid 1 en Pro lid 3 sub f Fw, omdat de feiten die tot beëindiging leidden al bekend waren bij de rechtbank op het moment van toelating.

Het hof oordeelde dat de feiten bij de toelating bekend waren en wees het verzoek tot tussentijdse beëindiging af. De bewindvoerder stelde dat de rechtbank niet alle relevante informatie, waaronder handgeschreven verklaringen over de besteding van de opbrengst van de onderneming, had meegewogen en dat het hof art. 350 lid 3 sub f Fw Pro verkeerd had toegepast.

De Hoge Raad overwoog dat art. 350 lid 3 sub f Fw Pro alleen ziet op gronden die bij toelating bestonden maar pas later bekend werden. Nu de feiten bij toelating bekend waren, was toepassing van dit artikel niet aan de orde. Ook werd het aanvullend cassatieverzoek niet ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend en geen voorbehoud was gemaakt. De Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de schuldsaneringsregeling terecht was voortgezet.

Conclusie

10/02975
Mr. L. Timmerman
Parket: 8 oktober 2010
Conclusie inzake:
[Verzoekster] in haar hoedanigheid van bewindvoerder
verzoekster tot cassatie
(hierna: bewindvoerder)
tegen
[verweerder 1] en [verweerster 2]
verweerders in cassatie,
(hierna: [verweerders])
Korte conclusie
1. Procesverloop
1.1 Bij vonnis van 4 augustus 2009 heeft de rechtbank Roermond op [verweerders] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. De bewindvoerder heeft een verzoek ingediend om de toepassing daarvan te beëindigen onder gelijktijdige omzetting in een faillissement. De rechter-commissaris heeft het verzoek van de bewindvoerder voor akkoord ondertekend. Bij vonnis van 27 januari 2010 heeft de rechtbank het verzoek ingewilligd en toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verweerders] beëindigd, omdat zij een aantal schuldeisers ernstig hebben benadeeld. Dat feit was bekend op het moment van het indienen van het verzoek tot toepassing van de schuldsanering. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan art. 350, lid 1 en lid 3 onder f. Fw.
1.2 [Verweerders] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het hof heeft de zaak ter zitting van 21 januari 2010 inhoudelijk behandeld. Bij arrest van 5 juli 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog afgewezen, omdat de feiten die reden waren voor beeindiging van de schuldsaneringsregeling op het moment van de toelating tot de schuldsanering bij de rechtbank bekend waren .
1.3 Tegen dit arrest heeft de bewindvoerder tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld. Op 9 augustus 2010 heeft de bewindvoerder een aanvullend verzoekschrift ingediend. [Verweerders] hebben geen verweer gevoerd(2).
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen.
Onderdeel 5.1 bevat een algemene klacht en betoogt dat de overwegingen 3.4.2, 3.5.2 en 3.6 in samenhang met de uitspraak onder 4 rechtens onjuist zijn althans bezien de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn. Onderdeel 5.2 betoogt dat zich in het dossier van de rechtbank informatie bevond over de wijze waarop de opbrengst van de onderneming(3) is besteed en een aantal relevante handgeschreven verklaringen, maar dat die informatie door de rechtbank niet in aanmerking is genomen. De bewindvoerder klaagt dat de betrokken informatie de rechtbank geen aanleiding heeft gegeven om [verweerders] niet toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Subsidiair wordt aangevoerd dat het hof de situatie heeft laten voortbestaan dat zich wel informatie in het dossier bevond maar dat die informatie niet specifiek op de toelatingszitting aan de orde is geweest. Meer subsidiair wordt opgeworpen dat het hof de strekking van art. 350 lid 3 sub f Fw Pro heeft miskend. Art. 350 lid 3 sub f Fw Pro dient te worden beschouwd als een correctief en mag ook strekken tot herstel in die toestand indien blijkt van een (evidente) schending van het recht dan wel gepleegd (ernstig) vormverzuim. Onderdeel 5.3 bevat geen zelfstandige klacht.
2.2 Het middel faalt. Art. 350 lid 3 sub f Fw Pro is per 1 januari 2008 in de wet opgenomen voor gronden die op het moment van toelating tot de regeling al bestonden, maar die pas gedurende de loop van de schuldsaneringsregeling bekend worden en bij de beoordeling van een verzoek tot toelating reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen als bedoeld in art. 288 lid 1 en Pro 2 Fw. Het moet dus gaan om gronden die op het moment van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de regeling bestaan, maar later bekend zijn geworden(4). In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat de feiten die - volgens het middel - tot afwijzing tot de schuldsaneringsregeling hadden moeten leiden wel bekend waren bij de rechtbank die over de toelating besliste, zodat art. 350 lid 3 sub f Fw Pro geen toepassing vindt. [Verweerders] hebben gesteld dat op de toelatingszitting van de rechtbank is besproken hoe de opbrengst van de verkoop van hun onderneming is besteed. De handgeschreven verklaringen van het geleende en terugbetaalde geld aan familie bevonden zich in het rechtbankdossier. Ook de bewindvoerder heeft verklaard dat de rechtbank bevestigd heeft dat deze informatie besproken is op de toelatingszitting, maar de rechtbank geen aanleiding heeft gezien het verzoek van [verweerders] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling daarop af te wijzen. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat de rechtbank op de hoogte was van de feiten en omstandigheden.
Ontvankelijkheid aanvullend verzoekschrift
2.1 In het verzoekschrift tot cassatie heeft de bewindvoerder een voorbehoud gemaakt het verzoekschrift tot cassatie aan te vullen of te verbeteren in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof. Het is vaste rechtspraak dat in geval een proces-verbaal niet al tijdens de cassatietermijn beschikbaar is, desverzocht nadien nog klachten mogen worden aangevoerd, indien en voor zover die klachten daadwerkelijk hun grondslag vinden in dit proces-verbaal en daarom niet eerder naar voren konden worden gebracht en voorzover een voorbehoud dienaangaande in het tijdig ingediende cassatieberoep is gemaakt(5). Het aanvullend verzoekschrift dient dan met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen - of zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending van het proces-verbaal heeft te gelden.
2.2 M.i. kan er inhoudelijk geen acht worden geslagen op het aanvullend cassatieverzoek nu de aanvulling m.i. al binnen de cassatietermijn had kunnen worden aangevoerd. De bewindvoerder vult het cassatieverzoek aan met het feit dat de rechtbank wel over het dossier beschikte, maar dit niet heeft doorgelezen op het punt van de verkoop van de onderneming en de handgeschreven briefjes. Het proces-verbaal van het hof zegt hierover niets. Voor zover deze grond gebaseerd is op de in het aanvullend cassatieberoep gewezen aantekeningen van de griffier van de toelatingszitting, merk ik op dat ten aanzien van deze aantekeningen geen voorbehoud gemaakt is in het cassatieverzoekschrift, zodat ook om deze reden het aanvullend cassatieverzoek niet-ontvankelijk is.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 13 juli 2010, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen. In de onderhavige zaak is de bewindvoerder in cassatie gekomen. Uit art. 351 lid 1 Fw Pro in samenhang met art. 351 lid 5 Fw Pro volgt dat de bewindvoerder ontvankelijk is.
2 Het ingediende verweer is ingetrokken.
3 In het verzoekschrift staat onder 5.2 derde alinea "de opbrengst van de verkoop van de woning". Ik denk dat dit per abuis opgenomen is en dat bedoeld is de opbrengst van de verkoop van de onderneming.
4 Zie Kamerstukken II, vergaderjaar 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 35.
5 Zie HR 24 december 1976, LJN: AC5859, 1977, 385 m.nt. WHH; HR 12 januari 1979, LJN: AC2300, 1979, 522 m.nt. WHH; HR 19 november 1982, LJN: AG4482, 1983, 100; HR 26 november 2004, LJN: AR2784, 2005, 25; HR 23 december 2005, LJN: AU3720, 2006, 31 en HR 21 december 2007, LJN: BB4757, NJ 2008,27.