ECLI:NL:PHR:2010:BO4928

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04734
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Rechters
  • Mr. F.F. Langemeijer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis en eisen geneeskundige verklaring

In deze zaak gaat het om de voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, zoals verleend door de rechtbank Utrecht op 2 september 2010. De machtiging was gebaseerd op een geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur, die betrokkene had laten onderzoeken door psychiater [B]. De kern van het geschil betreft de vraag of deze geneeskundige verklaring voldoet aan de eisen van artikel 5, lid 1 van de Wet Bopz, die vereist dat het onderzoek is verricht door een psychiater die niet bij de behandeling van de patiënt betrokken is geweest.

De rechtbank heeft vastgesteld dat psychiater [B] betrokkene in oktober 2009 heeft gezien tijdens een inbewaringstelling, maar dat hij geen behandelrelatie met betrokkene heeft gehad. Dit oordeel is door de cassatierechter bevestigd, waarbij de rechter benadrukt dat de feitenrechter de omstandigheden van het geval moet afwegen. De conclusie van de Hoge Raad is dat de geneeskundige verklaring niet in strijd is met de wettelijke eisen, omdat psychiater [B] niet als behandelend psychiater kan worden aangemerkt.

De zaak benadrukt het belang van onafhankelijkheid in de beoordeling van de noodzaak tot gedwongen opname en de waarborgen die de Wet Bopz biedt. De Hoge Raad concludeert dat het beroep van de betrokkene ongegrond is en dat de eerdere beslissing van de rechtbank in stand blijft. De uitspraak biedt duidelijkheid over de interpretatie van de eisen die aan geneeskundige verklaringen worden gesteld in het kader van de Wet Bopz.

Conclusie

10/04734
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 19 november 2010
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Utrecht
1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Op verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft de rechtbank aldaar op 2 september 2010 een voorlopige machtiging verleend om het verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren tot 2 januari 2011. Bij het inleidend verzoekschrift was gevoegd een geneeskundige verklaring d.d. 31 augustus 2010 van de geneesheer-directeur [A] (UMC), die betrokkene heeft laten onderzoeken door de psychiater [B].
2. Tijdens de mondelinge behandeling is namens betrokkene het verweer gevoerd dat de geneeskundige verklaring niet aan de eisen van art. 5 lid 1 Wet Bopz voldoet, omdat psychiater [B] minder dan een jaar geleden bij de behandeling was betrokken. De rechtbank heeft dit verweer verworpen op de volgende gronden. Bij navraag is gebleken dat psychiater [B] betrokkene in oktober 2009 heeft gezien bij de inbewaringstelling. Betrokkene was toen in behandeling bij psychiater [C]. De rechtbank stelde uitdrukkelijk vast dat gebleken is dat psychiater [B] geen behandelrelatie heeft gehad met betrokkene.
3. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Het enige middel van cassatie klaagt dat het oordeel dat [B] geen behandelrelatie met betrokkene heeft gehad blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent deze wettelijke eis, althans onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Volgens het middel is wel sprake geweest van een behandelrelatie. In cassatie is geen verweer gevoerd.
4. Uitgangspunt voor de beoordeling is de eis in art. 5 lid 1 Wet Bopz, dat een verklaring wordt overgelegd van de geneesheer-directeur die betrokkene kort tevoren met het oog op de verzochte machtiging heeft laten onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling van de patiënt betrokken was(1). Omtrent deze maatstaf leert de rechtspraak:
"Art. 5 lid 1 Wet Bopz, voor zover thans van belang inhoudende dat het onderzoek moet zijn verricht door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was, strekt ertoe de waarborgen rond de (voortzetting van) gedwongen opname te versterken door het eisen van een onafhankelijk oordeel ter advisering van de rechter. Bij de beantwoording van de vraag of een psychiater die ten tijde van het onderzoek niet bij de behandeling betrokken is, maar zulks in het verleden wel is geweest, als onafhankelijk kan worden aangemerkt, is niet alleen van belang het tijdsverloop sinds het beëindigen van de behandelrelatie, maar ook de duur en de intensiteit van de behandelrelatie. Het is aan de feitenrechter voorbehouden aan de hand van de omstandigheden van het geval telkens het onderlinge gewicht van deze factoren te bepalen. Echter, gelet op het belang van het onderhavige voorschrift en ter wille van de in zaken als deze geboden duidelijkheid zal in het algemeen moeten worden aangenomen dat, indien ten tijde van het ten behoeve van de verklaring verrichte onderzoek nog geen jaar was verlopen sinds de psychiater die het onderzoek heeft verricht voor het laatst behandelcontact met de betrokkene heeft gehad, deze psychiater niet kan gelden als "niet bij de behandeling betrokken" als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Bopz."(2)
5. Op grond van art. 419 lid 3 in verbinding met art. 429 lid 2 Rv is de cassatierechter gebonden aan de feitelijke vaststelling door de rechtbank dat er geen behandelrelatie is geweest tussen betrokkene en psychiater [B]. Uitgaande van die vaststelling, geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; in het bijzonder niet van miskenning van de in de vorige alinea geciteerde maatstaf (de grens van één jaar sinds het laatste contact in de behandelrelatie).
6. Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat psychiater [B] als waarnemer van de behandelend psychiater (destijds de psychiater [C]) betrokkene binnen de grens van één jaar in behandeling heeft gehad, mist de klacht feitelijke grondslag.
In de beschikking wordt melding gemaakt van een verkregen inlichting dat psychiater [B] betrokkene tijdens een inbewaringstelling in oktober 2009 "in waarneming" zou hebben "gezien" en beoordeeld in verband met de vraag of de inbewaringstelling wel of niet kon worden opgeheven. De rechtbank heeft de juistheid van die mededeling niet vastgesteld. Hoe dan ook, uit deze inlichting volgt niet, in elk geval niet zonder meer, dat [B] bij die beoordeling optrad als behandelaar of als waarnemer van de behandelend psychiater.
7. De verwijzing in de toelichting op het middel naar art. 7:446 BW maakt dit niet anders. Het is waar dat sprake kan zijn van een geneeskundige behandelingsovereenkomst wanneer een arts (geen behandeling geeft als bedoeld in art. 7:446, lid 2 onder a, BW, maar) de betrokkene medisch onderzoekt. Dit volgt uit art. 7:466, lid 2 onder b, BW, voor zover het medisch onderzoek is gebaseerd op een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Voor gevallen waarin het medisch onderzoek door een arts plaats vindt anders dan op grond van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, zijn bepaalde regels voor de geneeskundige behandelingsovereenkomst van overeenkomstige toepassing; zie art. 7:464 BW. Echter, het gaat in deze zaak niet om de vraag of de rechtsverhouding op grond waarvan een psychiatrisch onderzoek in oktober 2009 zou hebben plaatsgevonden al dan niet moet worden aangemerkt als een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Het gaat hier slechts om de vraag of de psychiater betrokken is bij de behandeling van deze patiënt. De enkele omstandigheid dat de psychiater de betrokken patiënt eerder heeft onderzocht (hetgeen zou zijn gebeurd in het kader van een inbewaringstelling), maakt nog niet dat hij betrokken is of is geweest bij de psychiatrische behandeling(3). Het middel faalt om deze redenen.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a.-g.
1 Dit voorschrift houdt verband met het feit dat art. 5, lid 1 onder e, EVRM voor detentie van geesteszieken de eis stelt van een objectief onderzoek door een medisch deskundige; zie onder meer: EHRM 24 oktober 1979 (Winterwerp), NJ 1980, 114 m.nt. EAA; EHRM 4 oktober 2000 (Varbanov), BJ 2001, 36 m.nt. WD.
2 HR 16 oktober 2009 (LJN: BK0342), BJ 2009, 47.
3 Vgl. HR 17 oktober 1997 (LJN: ZC2464), NJ 1998, 816 (éénmalig onderzoek 5 maanden vóór het afgeven van de geneeskundige verklaring en overleg met huisarts over mogelijke medicatie). In een ander wettelijk kader (instemmingsverklaring gedragswetenschapper art. 29b Wet op de jeugdzorg) kan worden gewezen op HR 22 oktober 2010 (LJN: BO1245).