ECLI:NL:PHR:2010:BO1763
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verkrijgende verjaring van strook grond na erkenning volgens art. 3:105 BW
Deze zaak betreft de eigendomsverkrijging van een strook grond tussen twee percelen door verkrijgende verjaring op grond van art. 3:105 BW Pro in samenhang met art. 3:306 BW Pro. De kernvraag is of na stuiting van de verjaring door erkenning volgens art. 3:318 BW Pro een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar volgens art. 3:319 BW Pro aanvangt.
De feiten betreffen een geschil tussen twee buren over de plaats van een hek en de eigendom van een strook grond van circa drie meter breed. Het hof had geoordeeld dat de verjaring was gestuit door erkenning van de aanspraken van de buurman en dat daardoor geen verkrijgende verjaring had plaatsgevonden. De eiser stelde in cassatie dat het hof ten onrechte art. 3:319 BW Pro niet had toegepast, waardoor een nieuwe verjaringstermijn zou zijn begonnen.
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep op art. 3:319 BW Pro niet tardief is en dat het hof deze bepaling ambtshalve had moeten toepassen. De verkrijgende verjaring op grond van art. 3:105 BW Pro is van openbare orde en moet door de rechter ambtshalve worden toegepast, inclusief de stuitingsregels. Het hof had dus moeten vaststellen dat na erkenning een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen.
Daarnaast moet nog worden vastgesteld of sprake was van bezit door de rechtsvoorganger van de eiser vanaf 1978, wat het begin van de oorspronkelijke verjaring bepaalt. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere beoordeling van deze vragen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere beoordeling van bezit en nieuwe verjaringstermijn na stuiting.