ECLI:NL:PHR:2010:BO0191
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Doorbreking verjaring bij mesothelioom door blootstelling aan asbest
In deze zaak staat centraal de vraag of het beroep op de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW Pro, zoals die gold tot 1 februari 2004, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in een zaak van mesothelioom door asbestblootstelling. De eiseressen zijn erfgenamen van een werknemer die tussen 1949 en 1961 bij Wilton Fijenoord werkte en in 2002 overleed aan mesothelioom, veroorzaakt door asbest.
De Hoge Raad bevestigt de jurisprudentie dat de verjaringstermijn een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft, maar dat in uitzonderlijke gevallen op grond van artikel 6:2 BW Pro de termijn buiten toepassing kan blijven. Daarbij moeten zeven gezichtspunten uit eerdere arresten worden betrokken, waaronder de aard van de schade, de mate van verwijtbaarheid en de mogelijkheid van verweer.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft getoetst aan deze maatstaf en dat het niet onjuist was dat het hof geen doorbreking van de verjaring heeft aangenomen. Het hof heeft ook voldoende aandacht besteed aan de ernst van het letsel en maatschappelijke belangen, en het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar geoordeeld. De klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd zou hebben geoordeeld, wordt verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep op verjaring wordt niet doorbroken en de vordering wordt afgewezen.