ECLI:NL:PHR:2010:BN6397
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen belang bij cassatieberoep na verstrijken machtiging tot plaatsing minderjarige in pleeggezin
In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van Bureau Jeugdzorg (BJZ) bij beschikking van 26 juni 2009 de duur van de machtiging tot plaatsing van het minderjarige kind van de moeder in een pleeggezin verlengd tot 5 juli 2010. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking, maar het gerechtshof 's-Gravenhage bekrachtigde op 3 februari 2010 de beslissing van de rechtbank. Vervolgens stelde de moeder tijdig beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
BJZ heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend. De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd dat nu de geldigheidsduur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing op 5 juli 2010 is verstreken, de moeder geen belang meer heeft bij haar cassatieberoep. Dit betekent dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is en dient te worden verworpen.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst het cassatieberoep af vanwege het ontbreken van een actueel belang. Hiermee is de procedure beëindigd zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak. Deze uitspraak bevestigt dat het belang bij cassatieberoep kan vervallen door het verstrijken van de termijn waarvoor een machtiging is verleend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de machtiging.