ECLI:NL:PHR:2010:BN4324
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betekening dagvaarding en woonplaats verdachte in hoger beroep bij drugszaken
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. De kern van het geschil betreft de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding in hoger beroep. Verdachte was vertrokken naar Luxemburg en stond niet meer ingeschreven in de Nederlandse basisadministratie persoonsgegevens (GBA).
Tijdens de procedure in eerste aanleg en hoger beroep was sprake van onduidelijkheid over het juiste woonadres van verdachte. De raadsvrouw van verdachte gaf aan dat verdachte nog een woning in Nederland bezat, maar dat hij in Luxemburg woonde. De dagvaarding werd uiteindelijk aan de griffier betekend omdat geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Het hof oordeelde dat de betekening rechtsgeldig was, mede omdat nadere navraag bij de gemeente over het buitenlandse adres ontbrak.
De Hoge Raad stelt dat navraag bij de gemeente verplicht is indien uit de GBA blijkt dat verdachte naar het buitenland is vertrokken, om vast te stellen of een buitenlands adres bekend is. Het hof had dit niet gedaan en heeft de geldigheid van de betekening onvoldoende gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering over de geldigheid van de betekening.