ECLI:NL:PHR:2010:BN2325
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing meerderjarigenstrafrecht op jeugdige verdachte en overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak
In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder bedreiging, diefstal en eenvoudige belediging van een ambtenaar. Het hof paste het meerderjarigenstrafrecht toe op alle feiten, terwijl verdachte ten tijde van twee feiten nog geen zestien jaar was. Dit was onjuist.
Daarnaast speelde de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof oordeelde dat de overschrijding niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ondanks de aan het middel ten grondslag liggende stelling dat de aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen als recht in de zin van artikel 79 RO Pro zou gelden. De Hoge Raad bevestigt dat deze aanwijzing een instructienorm is en geen afdwingbare rechtsregel jegens verdachte.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM, ook niet in zaken waarin het jeugdstrafrecht wordt toegepast.
De conclusie benadrukt dat het hof ten onrechte het meerderjarigenstrafrecht toepaste op feiten gepleegd toen verdachte nog minderjarig was en dat de strafoplegging daarom moet worden herzien. Tevens wordt gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, die eveneens gevolgen kan hebben voor de strafoplegging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling; overschrijding redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid OM.