AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling wegens nalatigheid bij toezicht op veiligheidsgordelgebruik tijdens off-road evenement met dodelijk ongeval
Op 10 mei 2006 vond tijdens een personeelsuitje een ernstig ongeval plaats waarbij het slachtoffer als bestuurder van een Rhino zonder veiligheidsgordel uit het voertuig werd geslingerd en dodelijk hersenletsel opliep. De organisator, een bedrijf dat outdoor-activiteiten verzorgt, werd veroordeeld wegens aanmerkelijke nalatigheid omdat zij niet controleerde of de veiligheidsgordels daadwerkelijk werden gedragen, ondanks dat dit een essentiële veiligheidsmaatregel was.
Het hof stelde vast dat het feitelijk controleren van het gebruik van de gordels geen onderdeel uitmaakte van de standaard veiligheidsprocedure ten tijde van het ongeval. Getuigenverklaringen van instructeurs en betrokkenen ondersteunden dit oordeel. De verdediging voerde aan dat het nalaten niet aan de rechtspersoon kon worden toegerekend en dat er geen causaal verband bestond tussen het niet dragen van de gordel en het overlijden, maar deze verweren werden verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat de redelijke toerekening van het gevolg aan het nalaten van de instructeur en daarmee aan de rechtspersoon terecht was toegepast. De zorgplicht van de organisator om de veiligheid te waarborgen, inclusief het controleren van gordelgebruik, was niet nagekomen. Het hof oordeelde dat dit nalaten aanmerkelijk nalatig was en het causale verband met het overlijden vaststond. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens aanmerkelijke nalatigheid omdat niet werd gecontroleerd op het gebruik van veiligheidsgordels, wat leidde tot de dood van een deelnemer.
Conclusie
Nr. 09/00411
Mr. Hofstee
Zitting: 29 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verzoekster = verdachte]
1. Verzoekster is bij arrest van 16 oktober 2008 door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "Aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon", veroordeeld tot een geldboete van € 16.750,-.
2. Namens verzoekster heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat de bewezenverklaarde culpa niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof het verweer van de verdediging aangaande de culpa en de onvoorzienbaarheid van het gevolg ten onrechte dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
4. Ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat:
"zij op 10 mei 2006 te [plaats] aanmerkelijk nalatig niet heeft gecontroleerd op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel in een Rhino met [slachtoffer] als bestuurder, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten uitgebreid hersenletsel, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden."
5. Met betrekking daartoe heeft het hof de volgende feiten vastgesteld. Verzoekster is een bedrijf waarvan de activiteiten bestaan in het organiseren van evenementen, zoals "outdoor-activiteiten" en "off-road driving" cursussen. Op 10 mei 2006 heeft het slachtoffer [slachtoffer] deelgenomen aan een personeelsuitje van zijn werkgever. Verzoekster heeft dit uitje georganiseerd op een terrein bij "'[A]" te [plaats], ingericht voor het rijden met gemotoriseerde off-road voertuigen. Op dit terrein heeft [slachtoffer] als bestuurder van een Rhino een parcours gereden, met naast hem gezeten als passagier zijn collega [betrokkene 1]. Een Rhino is een klein vierwielig motorvoertuig, voorzien van een zogenoemde rolbeugel en bestemd voor gebruik buiten de wegen. De deelnemers die gebruik zouden maken van de Rhino zijn voorafgaand aan de rit geïnstrueerd door de bij verzoekster werkzame free-lance instructeur [betrokkene 2]. Tijdens de rit droeg [slachtoffer] een helm, maar geen veiligheidsgordel. Op enig moment tijdens de rit is [slachtoffer] voorover uit de Rhino gevallen en is vervolgens de Rhino over de kop geslagen. Daarbij heeft de stang van de rolbeugel [slachtoffer] op het hoofd, dwars over het vizier van zijn helm, geraakt. Als gevolg van dit ongeval heeft [slachtoffer] uitgebreid hersenletsel bekomen, aan de gevolgen waarvan hij is overleden.
6. Na deze feitelijke vaststellingen heeft het hof omtrent het bewijs in brede beschouwingen het volgende overwogen:(1)
"A.
Evenmin als de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet, althans onvoldoende, heeft geïnstrueerd op het gebruik van de veiligheidsgordel. Zij zal daarom van dat onderdeel der tenlastelegging worden vrijgesproken.
B. Controle op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel
I.
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de zich in het dossier bevindende stukken komt het hof tot het oordeel dat er op 10 mei 2006 niet is gecontroleerd op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordels in de Rhino met [slachtoffer] als bestuurder.
Het hof baseert zich hierbij op de volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van de instructeur [betrokkene 2] voor zover hier van belang inhoudende - zakelijk weergegeven -:
"Die dag van 10 mei 2006 heb ik de instructie gedaan met [betrokkene 3]. Die Belg (het hof begrijpt [betrokkene 1]) kwam toen met [slachtoffer] naar mij en zei dat hij met deze meneer in de rhino wilde gaan rijden. Ik ben met hen naar de rhino gelopen. Ik heb toen [slachtoffer] met zijn helm geholpen. Ik heb wat technische handelingen uitgelegd. [Betrokkene 1] zei toen nog 'we rijden gewoon rustig'. Tegen [slachtoffer] zei ik: "U moet uw gordel om doen". Die Belg (naar het hof begrijpt: [betrokkene 1]) heb ik met een gebaar erop gewezen de gordel om te doen. Ik heb niet meer gecontroleerd of ze die gordel daadwerkelijk om hadden gedaan. Ik ga ervan uit dat ze deze gordel gewoon omdoen. Zo moeilijk is dat niet."
De verklaring van [betrokkene 1], de medepassagier in de Rhino met [slachtoffer] als bestuurder, die voor zover hier van belang - zakelijk weergegeven - het volgende inhoudt:
"Ik kan mij niet herinneren dat er een veiligheidsgordel in de Rhino zat. Ik heb die niet gezien. Er is ook door niemand gezegd dat we een gordel aan moesten doen.
U confronteert mij met het feit dat er wel veiligheidsgordels in de Rhino's zaten. Ik heb ze niet gezien en ik weet zeker dat niemand ons hierop heeft gewezen."
II.
Namens de verdachte is ten verweer betoogd dat zij ook van het verwijt van geen, althans onvoldoende, controle op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel moet worden vrijgesproken.
Daartoe is het volgende aangevoerd.
Het in het onderhavige geval -incidenteel- niet feitelijk controleren op het dragen van veiligheidsgordels was in strijd met de op dat moment binnen de BV geldende standaard veiligheidsprocedure. Daarbij is van belang dat ook reeds vóór de dag van het ongeval vóór aanvang van de evenementen de instructeurs op zogenoemde briefings door [betrokkene 4], de directeur/enig aandeelhouder van verdachte, werden geïnstrueerd met betrekking tot de in acht te nemen veiligheidsvoorschriften en dat daadwerkelijke controle op het dragen van de veiligheidsgordel reeds toen onderdeel uitmaakte van de standaard te volgen veiligheidsprocedure. Ter adstructie van dit standpunt heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een viertal getuigen, te weten: [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], allen instructeurs in dienst van verdachte, doen horen. Bij dat verhoor hebben al deze getuigen op vragen van de raadsman bevestigd dat daadwerkelijke controle op het dragen van de veiligheidsgordel in een Rhino ten tijde van het onderhavige gebeuren onderdeel uitmaakte van de standaard te volgen veiligheidsprocedure
III.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
IV.
Door een collega van het slachtoffer [slachtoffer], tevens deelnemer aan het personeelsuitje, genaamd [betrokkene 5], is op 24 mei 2006 bij de politie een verklaring afgelegd, die -zakelijk weergegeven- het volgende inhoudt:
"Ik heb op 10 mei 2006 gereden in een Rhino. Een instructeur hielp mij de helm vast te maken.
Ik heb van [betrokkene 4] toen instructie gekregen. Hij legde mij uit hoe de Rhino werkte. Hij vertelde mij ook dat de Rhino in een bocht flink kon hellen.
Ik heb niets gehoord over het dragen van de gordel. Ik wist niet eens dat er gordels in de Rhino zaten. Er is door de instructeurs met geen woord over het gebruik van de gordels in de Rhino gerept. Als ze mij hierover hadden ingelicht had ik ze zeker aangedaan.
U vraagt mij of ik in de Rhino een sticker of plaatje heb gezien met hierop de veiligheidsvoorwaarden. Ik heb dat niet bewust gezien."
V.
De directeur/enig aandeelhouder van verdachte, [betrokkene 4], heeft te dien aanzien op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 15 oktober 2007, voor zover hier van belang het volgende verklaard -zakelijk weergegeven-:
"U wijst mij op de verklaring van [betrokkene 6] bij de rechter-commissaris en met name op het feit dat volgens [betrokkene 6] er altijd een extra controle was of de gordel ook werkelijk was omgedaan.
De werkwijze die [betrokkene 6] omschrijft klopt, maar is van na dit ongeval. Daarvoor controleerden de instructeurs alleen specifiek op de helm. Per deelnemer werd gecontroleerd of de helm goed vast zat. Dit gebeurde omdat de meeste deelnemers niet gewend zijn aan het dragen van een helm, zodat er bij het vastmaken wel eens wat mis ging. Met een gordel is dat risico er nauwelijks, omdat iedereen daarmee wel vertrouwd is. Achteraf moeten we vaststellen dat we er dus kennelijk niet op hadden mogen vertrouwen dat men na de instructie ook echt de gordel om zou doen.
en
"Je staat er niet bij stil dat volwassen mensen zo onverantwoordelijk kunnen zijn dat ze de gordel niet omdoen. Zelfs bij kinderen was het min of meer een automatisme. Ik had de instructeurs opgedragen op het gebruik van de gordel te wijzen en dat gebeurde ook. Voor alles moet een eerste keer zijn en dat was in dit geval zo.
Nu zijn de regels dus aangescherpt en is het uitgangspunt dat, ook al zegt men toe de gordel om te zullen doen, het toch nog gecontroleerd moet worden."
VI.
Op grond van de inhoud van de evenweergegeven verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4], gezien in verband en samenhang met de hierboven onder B.l. weergegeven verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], is het hof van oordeel dat het feitelijk controleren van het daadwerkelijk dragen van de veiligheidsgordels in een Rhino ten tijde van het ten laste gelegde feit geen onderdeel uitmaakte van de bij verdachte geldende standaard veiligheidsprocedure.
Aan deze vaststelling kan hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door vier getuigen over de veiligheidsprocedure is verklaard niet afdoen. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof namelijk van oordeel dat die getuigenverklaringen niet opwegen tegen de door [betrokkene 2], [betrokkene 5], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] afgelegde duidelijke verklaringen, die elkaar op essentiële onderdelen ondersteunen.
C. Toerekening verboden gedraging
I.
Namens verdachte is voorts betoogd dat het nalaten van [betrokkene 2] in redelijkheid niet aan verdachte kan worden toegerekend.
Daartoe is aangevoerd dat de instructeurs voorafgaande aan een evenement namens verdachte door [betrokkene 4] steeds specifiek gewezen werden op het controleren van het gebruik van de veiligheidsgordels en dat van verdachte niet kon en hoefde te worden gevergd dat zij mede gelet op de professionaliteit van de instructeurs verder toezag op de naleving van deze veiligheidsinstructie.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
II.
Voorop gesteld wordt dat het antwoord op de vraag of een handelen of nalaten in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijke vraag daarbij is of het gegispte nalaten heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.
Op basis van de verklaring van [betrokkene 2] dat hij al dertien jaar als freelance instructeur bij [betrokkene 4] werkt en op 10 mei 2006 ook de instructie aan [slachtoffer] over de Rhino heeft verzorgd, alsmede de verklaring van [betrokkene 4] dat hij [betrokkene 2] zelf heeft opgeleid en hem beschouwt als een ervaren instructeur, en vooral, voor zover die inhoudt, dat [betrokkene 2] op 10 mei 2006 verantwoordelijk was voor de instructie en veiligheid,17 komt het hof tot het oordeel dat de werkzaamheden die [betrokkene 2] op 10 mei 2006 verrichtte, kunnen worden beschouwd als te zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.
III.
Om vast te stellen of het nalaten van [betrokkene 2] om het gebruik van de veiligheidsgordels in de Rhino daadwerkelijk te controleren in redelijkheid kan worden toegerekend aan verdachte, dient het hof te beoordelen of dat nalaten passend is in de normale bedrijfsvoering, danwel dat dat nalaten door verdachte aanvaard werd of gewoonlijk aanvaard werd.
IV.
Uit 's-Hofs hierboven onder B VI weergegeven oordeel dat het feitelijk controleren van het daadwerkelijk dragen van de veiligheidsgordels in een Rhino ten tijde van het ten laste gelegde feit geen onderdeel uitmaakte van de bij verdachte geldende standaard veiligheidsprocedure, trekt het hof het gevolg dat het gewraakte nalaten van [betrokkene 2] als passend in de normale bedrijfsvoering aan verdachte kan worden toegerekend.
Het hof verwerpt bijgevolg het verweer in al zijn onderdelen.
D. Aanmerkelijke mate van schuld
I.
Met betrekking tot de beoordeling of het nalaten controle uit te oefenen op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel in de Rhino met [slachtoffer] als bestuurder, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet gesproken kan worden van schuld in de zin van het tenlastegelegde artikel 307 vanPro het Wetboek van Strafrecht en verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken.
Daartoe is aangevoerd dat met betrekking tot de in verband met de deelnemers te betrachten veiligheid alle zorgvuldigheidseisen in acht zijn genomen en verdachte dientengevolge geenszins een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid kan worden verweten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
II.
Op verdachte rustte de zorgplicht tijdens de door haar georganiseerde evenementen al die maatregelen te treffen die uit een oogpunt van het waarborgen van de veiligheid van deelnemers redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd. Er is sprake van schuld indien daarbij gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerkelijke mate verwijtbaar te kort is geschoten. In het bijzonder is hier aan de orde de vraag of het niet controleren op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel in een Rhino schuld in deze strafrechtelijke zin oplevert.
Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Het hof baseert zich daarbij in de eerste plaats op zijn hierboven weergegeven oordeel, dat het feitelijk controleren van het daadwerkelijk dragen van de veiligheidsgordel in een Rhino ten tijde van het ten laste gelegde feit geen onderdeel uitmaakte van de bij verdachte geldende standaard veiligheidsprocedure.
In de tweede plaats baseert het zich daarbij op de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte [betrokkene 4] -volgens eigen verklaring verantwoordelijk voor het vaststellen van de veiligheidseisen en veiligheidsinstructies- dat het dragen van de veiligheidsgordels in de Rhino uit veiligheidsoogpunt het allerbelangrijkste is.
Van betekenis acht het ook, dat blijkens een in de Rhino duidelijk zichtbaar aangebrachte waarschuwing "Improper use can result in Severe INJURY or DEATH" onder andere is vermeld: "ALWAYS wear a seat belt when riding in the vehicle".
III.
Onder de in deze zaak gegeven omstandigheden kan niet anders worden geoordeeld, dan dat verdachte aanmerkelijk nalatig is geweest.
Het hof verwerpt het verweer.
E. Causaliteit
I.
De verdediging heeft met verwijzing naar de motivering in de pleitnotitie, overgelegd in eerste aanleg, betwist dat er causaal verband bestaat tussen het achterwege laten van het dragen van de veiligheidsgordel en het overlijden van [slachtoffer]. Volgens de verdediging blijft gelet op de verklaring van [betrokkene 1] over het gedrag van [slachtoffer] kort voor het ongeval, de mogelijkheid open dat tengevolge van fysieke problemen [slachtoffer] zachtjes voorover is gezakt alvorens uit de Rhino te geraken. Doordat het voorover zakken niet schielijk, maar geleidelijk geschiedde, speelde het al dan niet dragen van de veiligheidsgordel geen enkele rol.
II.
Het hof verwerpt dit verweer.
In het proces-verbaal Verkeersongeval Analyse wordt geconcludeerd dat een combinatie van factoren ertoe heeft geleid dat de Rhino bij het rijden over een heuvel bij de afdaling met de achterkant los van de grond is gekomen, op zijn voorzijde terecht is gekomen en vervolgens is doorgedraaid over de rolbeugels. Het niet dragen van de veiligheidsgordel heeft ertoe geleid dat de bestuurder kort voor het neervallen van het voertuig uit het voertuig is geslingerd. Liggend op de grond is de bestuurder geraakt door de linkerbovenzijde van de rolbeugel van het voertuig. Zoals hierboven bij de 'vaststaande feiten' reeds vermeld, is het slachtoffer tengevolge van het bij dit ongeval opgelopen hersenletsel overleden.
Gelet op de conclusies in het evengenoemde proces-verbaal, die het hof tot de zijne maakt, staat het causale verband tussen het niet dragen van de veiligheidsgordel en de dood van het slachtoffer vast."
7. Allereerst merk ik op dat in het middel niet wordt bestreden het oordeel van het hof onder "C. Toerekening verboden gedraging II." dat de werkzaamheden op die dag van free-lance instructeur [betrokkene 2] worden beschouwd als te zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon en dat deswege diens handelen of nalaten in samenhang met diens controletaak aan verzoekster kan worden toegerekend. Op dit niet weersproken (en mijns inziens juiste) oordeel zal ik dan ook niet nader ingaan in deze conclusie.
8. Ik zal mij concentreren op de enige kwestie die door de steller van het middel ter discussie wordt gesteld en in de vorm van een vraag als volgt kan worden samengevat: heeft het hof, mede naar aanleiding van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging hieromtrent, op correcte wijze de voorzienbaarheid van het gevolg betrokken in zijn overwegingen ten aanzien van de door hem toegepaste causaliteitsleer van de redelijke toerekening?(2) Het zal geen verbazing wekken dat de steller van het middel deze vraag in ontkennende zin beantwoordt.
9. Bij toepassing van die causaliteitsleer gaat het steevast om de vraag of het redelijk is het ingetreden gevolg toe te rekenen aan het gedrag van de verdachte. Toegespitst op de onderhavige casus laat deze vraag zich als volgt concretiseren: is het noodlottig gevolg in redelijkheid toe te rekenen aan het feitelijk nalaten van de instructeur om het gebruik van de veiligheidsgordels in de Rhino daadwerkelijk te controleren?
10. Het causaliteitscriterium van de redelijke toerekening is in de loop van de afgelopen twintig jaar in de strafrechtspraak - in de woorden van De Hullu - "expliciet tot standaard verheven".(3) Dat geldt met name bij de opzettelijke en culpoze gevolgdelicten, zoals doodslag (art. 287 SrPro) en dood door schuld (art. 307 SrPro). Nadat het toerekeningcriterium eenmaal in het strafrecht was geïntroduceerd in het zogenaamde Letale Longembolie-arrest (HR 12 september 1978, LJN AC2616, NJ 1979, 60 m.nt. Van Veen) heeft het de voordien gangbare klassieke causaliteitstheorieën in de strafrechtspraak overvleugeld.(4)
11. Het open, zelfs vage karakter van de 'redelijke toerekening' maakt dat de vraag openblijft op grond waarvan het gevolg al dan niet redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. Is het op de keper beschouwd niet zo dat het antwoord op deze vraag enkel met behulp van één van de klassieke causaliteitstheorieën kan worden gegeven? Tot op zekere hoogte is dat inderdaad het geval. Zo benadrukte P-G Fokkens al in zijn conclusie voor HR 18 mei 2004, LJN AO6457, NJ 2004, 512 dat de omstandigheid van afwezigheid van het 'conditio sine qua non-verband' tussen het gedrag van de verdachte en het ongeval een factor van groot belang is bij het beantwoorden van de vraag of het ongeval redelijkerwijs aan het gedrag van de verdachte is toe te rekenen.(5) Ook De Hullu acht 'redelijke toerekening' in beginsel niet goed denkbaar wanneer deze conditio sine qua non ontbreekt.(6) Voorts kan de voorzienbaarheid - hét centrale criterium in de adequate cauasaliteitstheorie(7) - een dragende bouwsteen vormen in het oordeel omtrent de redelijke toerekening: was op het moment van de gedraging het gevolg (redelijkerwijs) voorzienbaar voor een normaal mens. Daarbij zijn, naar het mij voorkomt, hogere eisen te stellen aan personen die juist zijn aangesteld om vanuit hun functie (Garantenstellung) toezicht te houden op de gedragingen van anderen en de naleving van voorschriften. Ik zal daarop hieronder in punt 13 terugkomen.
12. Het toerekeningscriterium wordt dus, naar gelang van de specifieke omstandigheden van het geval(8), wel ingekleurd met het 'conditio sine qua non-verband' of het criterium van de adequate voorzienbaarheid. Noodzakelijk is dit echter niet.(9) De leer van de redelijke toerekening heeft vanzelfsprekend een eigen, normatief, karakter. Zou dit anders zijn, dan was van een afzonderlijke, van de klassieke causaliteitstheorieën te onderscheiden, leer geen sprake. Niet voor niets heeft de Hoge Raad in het genoemde Letale longembolie-arrest en bijvoorbeeld ook in het Aortaperforatie-arrest met geen woord gerept van de mate waarin vooraf of achteraf het gevolg had kunnen worden voorzien. Dat is overigens begrijpelijk, omdat een medische fout ergens in de causaliteitsketen zich moeilijk laat plaatsen in of, zo men wil, laat 'vangen' met het voorzienbaarheidscriterium. Hetzelfde geldt voor eigen toedoen van het slachtoffer, dat evenmin de mogelijkheid van redelijke toerekening tenietdoet. Het kan zijn dat het eigen toedoen het intreden van het gevolg heeft versneld, maar als zodanig het oorzakelijk verband niet heeft aangetast.(10) Anders gezegd: het verband tussen oorzaak en gevolg wordt in de causaliteitsleer van de redelijke toerekening (binnen aanvaardbare grenzen(11)) niet onderbroken door tussenkomende omstandigheden. Of zoals mijn ambtgenoot Machielse het treffend verwoordde in zijn conclusie voor 28 november 2006, LJN AZ0247: "Causaliteit tussen gedraging en gevolg dient naar vaste rechtspraak uiteindelijk te worden bepaald aan de hand van de maatstaf van de 'redelijke toerekening'. Indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijk resultaat teweeg te brengen of het risico daarop in relevante mate heeft verhoogd, doorbreken tussenkomende factoren de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg".
13. Het voorgaande is evenzeer van toepassing op het causaliteitsverband tussen nalaten en ingetreden gevolg. Uiteraard komen in het perspectief van het nalaten de zorgplicht en de verhoogde kans op het gevolg sterk in het vizier. Het ingetreden gevolg kan redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend omdat hij heeft verzuimd juist datgene te doen wat vanuit zijn bijzondere zorgplicht van hem verlangd werd en door dat nalaten de kans op het gevolg is verhoogd. Men zou ook hier kunnen spreken van een Garantenstellung. Bij wijze van voorbeeld noem ik de stewardess die voor de start niet alleen beeldend instrueert hoe de veiligheidsriem dient te worden vastgemaakt maar ook daadwerkelijk controleert of alle passagiers op dat moment aan de opdracht hebben voldaan hun veiligheidsriem vast te gespen. Deze controletaak is op grond van luchtvaartregels inzake veiligheidsprocedures voorgeschreven omdat sommigen (kinderen, onervaren luchtreizigers) de riemen niet strak genoeg aantrekken, en ook omdat de 'cabin crew' weet - men zou het een feit van algemene bekendheid kunnen noemen - dat er altijd mensen zijn die om welke reden dan ook niet eigener beweging gehoor geven aan de opdracht 'fasten your seatbelt'. Juist daarom rust op de stewardess de zorgplicht om te controleren of een ieder in de cabine de veiligheidsgordels (naar behoren) heeft vastgemaakt. Hetzelfde geldt voor evenementen of activiteiten als parachutespringen, ballonvaren en, op de kermis, de draaimolen, het reuzenrad en de botsauto's. Gemeenschappelijk aan al deze voorbeelden is de (voorzienbare) kans op een ongeval wanneer de toezichthoudende en controlerende zorgplicht ten aanzien van de passagiers of deelnemers niet wordt nageleefd; men wil in dit verband geen enkel risico nemen.
14. In de onderhavige zaak is verzoekster veroordeeld ter zake van het materieel omschreven culpoze delict van art. 307, eerste lid, Sr. Culpa kent een zwaar normatieve component: de betrokkene heeft verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig (risicovol) gehandeld. In de open delictsomschrijving van art. 307, eerste lid, Sr dient het dodelijk gevolg te wijten te zijn aan de schuld van de verdachte, hetgeen dus is te herleiden tot diens aanmerkelijk onvoorzichtige gedraging. Ook hier zien we derhalve in de kern een oorzakelijk verband gelegen tussen gevolg en gedraging, gelijk bij het vraagstuk van de causaliteit. Culpa en causaliteit lopen dan ook in elkaar over en zijn buiten de rechtsdogmatiek niet of nauwelijks te ontvlechten. Hierdoor impliceert de vaststelling van culpa de aanwezigheid van het oorzakelijk verband tussen ingetreden gevolg enerzijds en gedrag met een bepaalde laakbare instelling anderzijds, aldus ook De Hullu.(12) Daar komt bij dat, evenals bij het nalaten in de causaliteitstheorieën, in het leerstuk van de culpa het nemen van (on)geoorloofde risico's, de aard van het gevaarzettende gedrag en het hebben van een bepaalde toezichthoudende en/of controlerende hoedanigheid (Garantenstellung) van bijzondere betekenis zijn, en al helemaal in samenhang met de zorgplicht in geval van nalaten.
15. Van aanmerkelijke onvoorzichtigheid is sprake als het gedrag in strijd is met geschreven of ongeschreven normen en van de verdachte onder die omstandigheden - waarbij de voorzienbaarheid van een bepaald gevolg een rol kán spelen - anders mag worden verwacht.(13) Daarbij wordt over het algemeen de gemiddelde mens of, rekening houdend met de bijzondere positie die iemand inneemt (Garantenstellung), de doorsnee beroepsgenoot als maatstaf genomen. Dat betekent echter niet dat het peil dat in de betreffende beroepsgroep heerst zonder meer beslissend is wanneer bepaalde foutieve gewoonten daarbinnen ingang hebben gevonden.(14)
16. Het wordt na deze voorbeschouwingen tijd om terug te keren naar de overwegingen van het hof. Ten aanzien van de te betrachten veiligheid is het hof van oordeel dat in casu niet alle zorgvuldigheidseisen in acht zijn genomen, nu niet is gecontroleerd op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel bij de deelnemers. Daartoe overweegt het hof dat:
(i) het feitelijk controleren van het daadwerkelijk dragen van de veiligheidsgordel ten tijde van het tenlastegelegde feit geen onderdeel uitmaakte van de bij verzoekster geldende standaard veiligheidsprocedure;
(ii) de verantwoordelijke voor het vaststellen van de veiligheidseisen en veiligheidsinstructies heeft verklaard dat het dragen van de veiligheidsgordels in de Rhino uit veiligheidsoogpunt het allerbelangrijkste is;
(iii) in de Rhino een duidelijke zichtbare waarschuwing is aangebracht, waarop vermeld staat "Improper use can result in Severe INJURY or DEATH" en "ALWAYS wear a seat belt when riding in the vehicle".
17. Hieruit kan worden afgeleid dat er serieuze risico's verbonden zijn aan het rijden met de Rhino en dat het niet in acht nemen van de veiligheidsvoorschriften in het uiterste geval de dood tot gevolg kan hebben. Het hof heeft dan ook terecht overwogen dat het in verband met de veiligheid van de deelnemers van groot belang is dat de veiligheidsgordel - kennelijk de belangrijkste veiligheidsmaatregel, ook volgens [betrokkene 4] - altijd gebruikt wordt. Op verzoekster rustte derhalve een bijzondere zorgplicht om uit het oogpunt van waarborging van de veiligheid van de deelnemers de geldende veiligheidsprocedure af te stemmen op dit veiligheidsrisico en, zoals de stewardess in het hierboven gegeven voorbeeld, te controleren of alle deelnemers hun veiligheidsriem hadden vastgemaakt. Omdat verzoekster haar zorgplicht op dit essentiële onderdeel laakbaar en verwijtbaar heeft veronachtzaamd, is zij, zoals het hof terecht heeft geoordeeld, aanmerkelijk en toerekenbaar nalatig geweest. Aldus heeft het hof de culpa op deugdelijke gronden vastgesteld.
18. Met de culpa is de causaliteit 'eigenlijk' al (impliciet) gegeven.(15) Dat neemt niet weg dat het hof hieraan terecht afzonderlijke overwegingen heeft gewijd, en wel onder het kopje "E. Causaliteit". Het niet dragen van de veiligheidsgordel vormt, aldus het hof, een essentiële schakel in de causaliteitsketen en staat in oorzakelijk verband met de dood van het slachtoffer. Als gezegd kan, gezien 's hofs overwegingen onder het kopje "C. Toerekening verboden gedraging", het ervoor worden gehouden dat het hof hier gebruik heeft gemaakt van de causaliteitsleer van de redelijke toerekening. Het standpunt van de steller van het middel, dat het hof in zijn oordeel over de causaliteit had moeten doen blijken daarbij de voorzienbaarheid te hebben betrokken, vindt geen steun in het recht. Daaraan doet niet af dat volgens de steller van het middel het slachtoffer als bestuurder van de Rhino "door zijn roekeloze handelwijze zelf het levensgevaar heeft gecreëerd". Een eventuele onvoorzichtigheid van het slachtoffer verbreekt niet snel het causale verband, schreef P-G Fokkens reeds in zijn conclusie voor het in voetnoot 10 genoemde arrest van HR 11 december 2001. Dat geldt temeer, voeg ik eraan toe, indien de verdachte (via een Garantenstellung), zoals verzoekster in casu, een zorgplicht heeft om te controleren of de betrokkenen hun veiligheidsriem hebben vastgemaakt. Tot slot wil ik hier niet onvermeld laten dat in de onder punt 16 weergegeven overwegingen van het hof, mede de voorzienbaarheid van het zich verwezenlijkte dodelijke gevolg besloten ligt. Ik zou niet weten hoe alleen al de waarschuwing "Improper use can result in Severe INJURY or DEATH" anderszins valt uit te leggen.
19. Het voorgaande leidt naar mijn mening tot de conclusie dat het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.
20. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 ROPro bedoelde motivering.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Omwille van de leesbaarheid laat ik de (Promis)voetnoten van het hof in deze weergave achterwege.
2 Dat het hof deze causaliteitsleer heeft toegepast blijkt weliswaar niet in zoveel woorden uit "E. Causaliteit", maar wel uit "C. Toerekening verboden gedraging" onder de "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs".
3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, p. 177.
4 Zoals de leer van respectievelijk de conditio sine qua non, de causa proxima en de adequate causaliteit.
5 Hoewel HR 30 september 2003, LJN AF9666, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval de redelijke toerekening aannam zonder dat er een 'conditio sine qua non-verband' kon worden aangetoond.
6 A.w., p. 183. Zie overigens ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voor HR 20 september 2005, LJN AT8303, NJ 2006, 86.
7 Goed beschouwd zijn er varianten binnen de adequate causaliteitstheorie. De voorzienbaarheid kan immers vooraf (subjectief dan wel objectief ex ante) of achteraf (objectief ex post) worden geconstrueerd. Hoe dan ook, de nadruk wordt gelegd op de waarschijnlijkheid en de voorzienbaarheid. Betrokken bij het oordeel daarover worden het nomologisch weten (de algemene wetmatigheid van gebeuren op het gebied waarop het betreffende verschijnsel zich afspeelt) en het ontologisch weten (de feitelijke situatie waarin de gedraging zich plaatsvindt).
9 Hoewel Reijntjes zich daar wel sterk voor maakt in zijn noot onder HR 20 februari 2007, LJN AZ2105, NJ 2007, 263.
10 Zie bijvoorbeeld HR 11 december 2001, LJN AD5285, NJ 2002, 62 waarin het slachtoffer ten tijde van de aanrijding geen veiligheidsgordel droeg. Vgl. ook HR 26 november 1985, LJN AC9121, NJ 1986, 368.
11 Ik bedoel daarmee: indien het gevolg ook zou zijn ingetreden zonder de gedraging van de verdachte, kan redelijkerwijs geen causaal verband tussen deze gedraging en het gevolg worden aangenomen.
12 De Hullu, a.w., p. 177.
13 Zie Hazewinkel-Suringa/Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, Gouda Quint 1996, p. 228 e.v.
14 Vgl. Hazewinkel-Suringa/Remmelink, a.w., p. 235-236.