AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongerechtvaardigde verrijking door derdenbeslag onder bank en betaling aan schuldeiser
De zaak betreft een geschil over een betaling van de bank aan een schuldeiser, ondanks dat er executoriaal derdenbeslag lag op de tegoeden van een vereniging bij die bank. De vereniging had een aanzienlijke belastingschuld en het beslag was gelegd door de belastingdeurwaarder namens de Ontvanger. De bank had in opdracht van een vertegenwoordiger van de vereniging een bedrag overgemaakt naar de rekening van de schuldeiser, waarna zij later het beslagbedrag aan de Ontvanger betaalde.
De bank vorderde van de schuldeiser terugbetaling van het bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wees de vordering toe, het hof vernietigde dit vonnis deels en oordeelde dat een deel van de vorderingen reëel was, maar dat voor een substantieel bedrag sprake was van ongerechtvaardigde verrijking. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de betaling na het beslag uit het vermogen van de bank voortvloeit, dat de schuldeiser verrijkt is en de bank verarmd, en dat er een voldoende causaal verband bestaat.
De Hoge Raad wijst de klachten van de schuldeiser af die betoogde dat de verrijking niet aan hem toe te rekenen is omdat het geld van de vereniging kwam. De Hoge Raad benadrukt dat het feitelijke en juridische oordeel van het hof begrijpelijk en zorgvuldig is, mede gelet op de onbetrouwbaarheid van de stellingen van de schuldeiser en de omstandigheden rondom de vereniging en haar administratie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de schuldeiser tot terugbetaling van het bedrag dat hij ten onrechte ontving ondanks het beslag.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schuldeiser wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat hij ten onrechte ontving ondanks het beslag.
Conclusie
Rolnr. 09/03597
mr. J. Spier
Zitting 9 juli 2010 (bij vervroeging)
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Coöperatieve Rabobank Apeldoorn U.A.
(hierna: de bank)
1. Feiten
1.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(1)
1.2 De "Vereniging Aan het Plein", hierna: de Vereniging, heeft bij de bank een betaalrekening (rekeningcourant) en een spaarrekening.
1.3 Op 1 juli 2003 heeft een belastingdeurwaarder op verzoek van de Ontvanger van de belastingdienst Randmeren, hierna: de Ontvanger, een aanslag kansspelbelasting van € 601.566 betekend aan de Vereniging en het exploot achtergelaten aan [betrokkene 1], bedrijfsleidster en procuratiehoudster van de Vereniging.
1.4 De belastingdeurwaarder heeft op de aanwezige roerende zaken executoriaal beslag gelegd. Kort voor zijn vertrek heeft hij aan [betrokkene 1] meegedeeld dat tevens executoriaal derdenbeslag zou worden gelegd op de tegoeden van de Vereniging bij de bank. [betrokkene 1] heeft telefonisch contact gezocht met de administrateur/accountant van de Vereniging. Deze adviseerde haar om de saldi van de Vereniging bij de bank over te boeken naar de Postbankrekening van haar man - [eiser] - in verband met opeisbare vorderingen van verschillende schuldeisers, waaronder [eiser], alsmede ter voorkoming van liquiditeitsproblemen. [Betrokkene 1] heeft vervolgens de bank gebeld om telefonisch de tegoeden van de Vereniging bij de bank over te boeken naar de Postbankrekening van [eiser].
1.5 De belastingdeurwaarder heeft op 1 juli 2003 om 12.35 uur executoriaal derdenbeslag gelegd onder de bank ten laste van de Vereniging. De bank heeft vervolgens in opdracht van [betrokkene 1] € 290.000 overgemaakt op [eiser]s Postbankrekening.
1.6 Ter voldoening aan het onder haar gelegde beslag heeft de bank op 16 september 2003 € 290.000 aan de Ontvanger overgemaakt.
2. Procesverloop
2.1.1 Op 22 september 2003 heeft de bank [eiser] gedagvaard voor de Rechtbank Zutphen. Zij heeft, voor zover thans nog van belang, gevorderd [eiser] te veroordelen om aan haar € 290.000 te betalen, zulks met nevenvorderingen.
2.1.2 Aan deze vordering is ten grondslag gelegd dat [eiser] ten koste van de bank ongerechtvaardigd is verrijkt. [Eiser] zou zonder rechtsgrond € 290.000 rijker zijn geworden door de litigieuze overboeking, waardoor de bank schade heeft geleden.
2.2 [Eiser] heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk een vordering in reconventie ingesteld die thans geen rol meer speelt.
2.3 In haar (eind)vonnis van 26 oktober 2005 heeft de Rechtbank de vordering van de bank toegewezen.
2.4 [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld.
2.5 In zijn arrest van 28 november 2006 oordeelt het Hof dat betaling van een vordering door de debiteur in beginsel geen verrijking van de crediteur oplevert. Zou sprake zijn van "reële vorderingen, uit hoofde waarvan [eiser] en de andere (het Hof bedoelt: de in rov. 4.5 genoemde, A-G) crediteuren aanspraak op betaling jegens de vereniging hadden, alsmede dat de overboekingen ten behoeve van [eiser] kunnen gelden als betalingen aan, althans bestemd voor, (doorbetaling aan) crediteuren van deze vorderingen" dan kan volgens het Hof niet worden gesproken van ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] (rov. 4.4 en 4.6). Daarom moet worden onderzocht of sprake is van "reële vorderingen" (rov. 4.8).
2.6 In zijn arrest van 22 mei 2007 heeft het Hof de bank opgedragen te bewijzen dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [eiser], als nader aangegeven in het dictum. [eiser] wordt toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat $ 75.000 door [betrokkene 2] niet is uitgeleend aan de Vereniging maar aan [betrokkene 1].
2.7.1 In zijn arrest van 7 april 2009 oordeelt het Hof dat [eiser] voor € 64.300 en [betrokkene 1] voor € 58.891,65 reële vorderingen op de Vereniging hadden en dat [eiser] voor die bedragen niet ongerechtvaardigd is verrijkt (rov. 2.3 en 2.4). Met betrekking tot de lening aan [betrokkene 3] is geen sprake van een reële vordering (rov. 2.5). Ten aanzien van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] memoreert het Hof hun verklaringen dat de Vereniging hen geen geld verschuldigd was, doordien de bank in zoverre in het bewijs is geslaagd (rov. 2.6). De verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] acht het Hof ongeloofwaardig zodat de bank ook in zoverre in haar bewijsopdracht is geslaagd (rov. 2.7). Om een aantal redenen neemt het Hof aan dat van een reële vordering van [betrokkene 8] op de Vereniging evenmin sprake is (rov. 2.8). Op grond hiervan acht het Hof [eiser] niet ongerechtvaardigd verrijkt voor € 123.191,65, maar wél voor € 166.808,35 (€ 290.000 -/- 123.101,65) (rov. 2.9). Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank van 26 oktober 2005 vernietigd en [eiser] veroordeeld om het laatstgenoemde bedrag aan de bank te betalen.
2.7.2 In rov. 2.10 overweegt het Hof nog dat en waarom het ervan uitgaat dat het beslag door de Ontvanger eerder is gevallen dan de betalingen aan [eiser].
2.8 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen 's Hofs arresten van 28 november 2006 en 7 april 2009. De bank heeft zich ten aanzien van de klacht in onderdeel 2.1 gerefereerd aan het oordeel van Uw Raad en heeft geconcludeerd tot verwerping van onderdeel 2.2. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht.
3. Inleiding en verkenning van 's Hofs oordeel
3.1 's Hofs oordeel komt op het volgende neer.
3.2 De litigieuze betaling door de bank aan [eiser] heeft - naar in cassatie niet langer wordt bestreden - plaatsgevonden nadat door de Ontvanger reeds beslag was gelegd op der Vereniging rekening; zie onder 2.7.2. Het Hof leidt daaruit klaarblijkelijk af dat de betaling - in economisch/financiële zin - uit het vermogen van de bank voortvloeide. Immers bevrijdde deze betaling de bank niet ten opzichte van de Ontvanger, hetgeen wordt onderstreept door 's Hofs feitenvaststelling dat de bank later (alsnog) aan de Ontvanger heeft betaald. Dit oordeel is feitelijk en alleszins begrijpelijk, zo nodig mede in het licht van het navolgende.
3.3.1 Het Hof heeft minutieus onderzocht of sprake is van reële vorderingen van [eiser] en de zijnen. In mijn ogen heeft het Hof [eiser] op ruime schaal het voordeel van de twijfel gegund omdat zijn beweringen weinig plausibel lijken. Hoe dat ook zij, voor zover het Hof tot de slotsom is gekomen dat wél sprake is van ongerechtvaardigde verrijking wordt dat oordeel gebaseerd op de ongeloofwaardigheid van de bewijsmiddelen van [eiser]. Het Hof brengt daarmee op beleefde wijze tot uitdrukking dat [eiser] een aanzienlijk geldbedrag aan zich heeft laten overmaken waarvoor geen enkele grondslag bestond en dat zijn stellingen anders luidende onwaar zijn.
3.3.2 Hierbij verdient nog aantekening dat [eiser] - m.i. terecht - zelf ook het zwaartepunt van zijn betoog heeft gelegd in de vraag of sprake is van verrijking; zie bijvoorbeeld mvg blz. 2, 4 en 5.
3.4 Wanneer men 's Hofs beide zojuist genoemde oordelen met elkaar verbindt, dan dringt de conclusie zich op dat niet alleen sprake is van verrijking van [eiser], maar ook van verarming van de bank en dat tussen beide een voldoende rechtstreeks verband bestaat. Dat ligt m.i. zo zeer voor de hand dat het Hof niet gehouden was om het uit te spellen, al was dat retrospectief bezien wellicht beter geweest.
3.5.1 Wanneer men juridisch scherp slijpt, is wellicht iets te zeggen voor het standpunt van [eiser]. Materieel gezien, is er evenwel heel erg weinig dat ervoor pleit. Eenmaal aannemend dat [eiser] geld heeft ontvangen waarop hij geen enkele aanspraak had, is moeilijk te bevroeden wat dat anders zou kunnen zijn dan een verrijking. Nu deze feitelijk uit het vermogen van de bank is voortgevloeid, is ook duidelijk dat bij haar sprake is van verarming en dat tussen beide een verband bestaat; zie nader onder 4.11.
3.5.2 Dat geldt al helemaal in een setting waarin het gaat om gelden die [eiser], naar in 's Hofs oordeel besloten ligt, klaarblijkelijk zelf had willen behouden. Het ligt immers heel weinig voor de hand dat [eiser] bedragen aan derden had willen betalen die de Vereniging niet verschuldigd was en waarvan de pretens gerechtigden - voor zover dezen al konden worden getraceerd - zelf hebben verklaard dat zij daarop geen aanspraak hadden.
3.6 Maatschappelijk is in mijn ogen niet gemakkelijk uit te leggen dat - naar het Hof alleszins begrijpelijk voor de bedragen die in cassatie nog aan de orde zijn heeft aangenomen - iemand die met een ongeloofwaardig verhaal geld aan zich laat overmaken dat hem niet toekomt dat zou mogen behouden. Ontdaan van wat franje is dat nochtans het betoog van [eiser].
4. Bespreking van het middel
4.1 De onderdelen 1.1 en 1.2 bevatten geen klacht.
4.2 Onderdeel 2.1 bevat een rechtsklacht waarin het Hof wordt verweten zich bij de beoordeling van de eerste grief te hebben beperkt tot een beoordeling van de vraag of sprake is van een verrijking aan de zijde van [eiser].
4.3 Deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 RvPro. Of voor een rechter grond bestaat om op bepaalde kwesties in te gaan, hangt immers niet alleen af van de vraag welke rechtsvragen relevant zijn, maar ook van die of deze aan zijn oordeel zijn voorgelegd. Daaraan doet het bepaalde in art. 25 RvPro. niet af. Waneer bijvoorbeeld de Rechtbank heeft geoordeeld dat er verarming is en daartegen geen grief is gericht, mag het Hof die kwestie niet suo sponte aan de orde stellen. Het ligt op de weg van eiser tot cassatie om aan te geven waarom een appèlrechter een bepaalde kwestie al dan niet aan de orde had moeten stellen. Het onderdeel legt dat evenwel niet uit. Daar komt bij dat een en ander genoegzaam in 's Hofs oordeel besloten ligt; zie onder 3.
4.4 De eerste klacht van onderdeel 2.2 acht 's Hofs oordeel onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd omdat niet wordt ingegaan op de essentiële door [eiser] aan de orde gestelde vraag "in hoeverre zijn verrijking zich causaal verhoudt tot een eventuele verarming van de bank", in welk verband beroep wordt gedaan op de eerste vijf pagina's van de mvg.
4.5 Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 RvPro. Op deze pagina's wordt uitvoerig aandacht besteed aan hetgeen de Rechtbank heeft geoordeeld en wordt met name betoogd dat geen sprake zou zijn van verrijking. Daarnaast wordt hier en daar inderdaad aandacht besteed aan de problematiek van causaal verband en verarming. Het ligt evenwel op de weg van eiser tot cassatie om nauwkeurig aan te geven op welke stellingen hij het oog heeft. In plaats daarvan meent [eiser] van wederpartij en cassatierechter te kunnen vergen dat zij zelf op zoek gaan naar mogelijk relevante stellingen. Dat is evenwel, volgens vaste rechtspraak, niet de bedoeling van art. 407 lid 2 RvPro.
4.6 Voor het geval Uw Raad de hand over zijn hart zou willen strijken, sta ik inhoudelijk stil bij de passages waarop [eiser] mogelijk het oog heeft (cursivering toegevoegd):
"[Eiser] betwist het oordeel van de rechtbank omdat een actie van ongerechtvaardigde verrijking op grond van art. 6:212 BWPro op de eerste plaats is vereist dat ten koste van een ander verrijking heeft plaatsgehad. Onder een verrijking wordt verstaan elke toevoeging aan een vermogen ten koste van een verarming van de ander. Er moet sprake zijn van een onlosmakelijk causaal verband.
[Eiser] betwist dat er sprake is van een verrijking omdat het aan hem uitbetaalde bedrag dat afkomstig is van de vereniging. Het betreft hier vermogen van de vereniging bestemd voor crediteuren, waaronder [eiser]. De bank heeft het vermogen € 295.436,63 van de vereniging overgeboekt op de bankrekening van [eiser] bij de Postbank, waardoor als gevolg van deze transactie, de bank niet verarmd is. De bank is feitelijk pas op een later tijdstip verarmd als gevolg van de betaling van € 298.436,63 aan de Belastingdienst. [Eiser] is van mening dat de bank als gevolg van deze "tweede" transactie verarmingschade lijdt en de vereniging wordt verrijkt, omdat in weerwil van het beslag is overgeboekt - quod non - de bank, als derde-beslagene, de wettelijke verplichting heeft om het uitbetaalde bedrag aan [eiser] te betalen aan de Ontvanger. [eiser] wijst op de blokkerende werking conform art. 475b Rv. De blokkerende werking beschermt de beslaglegger en dat is de Ontvanger. De beslagene (= de vereniging) blijft wel beschikkingsbevoegd, zodat tijdens het beslag verrichte rechtshandelingen, afgezien dat zij ten opzichte van de beslaglegger niet werken, geldig zijn. De bank heeft zich niet gehouden aan het bevel om het tegoed van de bank onder zich te houden, waardoor de Ontvanger de executie kan doorzetten alsof de beslagene tegoeden nog onder zich heeft, hetgeen niet neerkomt op de verplichting tot herhaalde betaling of vervangende schadevergoeding op grond van art. 6:33 BWPro. De bank is geen schuldenaar. De bank heeft aan de Ontvanger betaald op grond van art 475b Rv en heeft een vordering op de vereniging omdat met haar betaling een schuld van de vereniging aan de Ontvanger is gedelgd waardoor de vereniging is verrijkt. Het feit dat de bank kennelijk een fout heeft gemaakt en hierdoor schade lijdt is slechts verhaalbaar op de vereniging. (...)
Het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van verarming aan de zijde van de bank als gevolg van de fout van de bank, is onbegrijpelijk en getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. (...)
De rechtbank stelt zich op het standpunt dat [eiser] door een fout van de bank het bedrag heeft ontvangen en daardoor [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt en de bank verarmd. Dit oordeel is onbegrijpelijk en getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. [eiser] stelt zich primair op het standpunt dat de betaling aan [eiser] nog voor het beslag is overgeboekt, hetgeen aan de orde komt in grief II. Mocht de betaling al in weerwil van het beslag zijn gedaan, nogmaals - quod non -, dan is er geen sprake van verrijking aan de zijde van [eiser]. [eiser] had een geldvordering op de vereniging en deze vordering werd met het vermogen van de vereniging voldaan waarmee de vordering komt te vervallen. [Eiser] is er niet rijker van geworden en dat geldt ook voor de derden-schuldeisers. Verrijking oftewel rijker worden houdt in dat het eigen vermogen van [eiser] vermeerdert met het bedrag dat hem kennelijk door een fout niet toekomt. Dat laatste is niet het geval. [eiser] betwist dan ook dat er sprake is van verrijking aan de zijde van [eiser] op het moment dat de bank overgaat tot creditering van de Postbankrekening van [eiser] in weerwil van het gelegde beslag. Door een fout van de bank, aldus de rechtbank, heeft [eiser] het bedrag ontvangen, maar de conclusie van de rechtbank dat [eiser] hierdoor is verrijkt is apert onjuist. (...)
[eiser] is bovendien van mening dat, zoals gezegd, de motivering van de rechtbank onjuist en onbegrijpelijk is, nu [eiser] geen bedrag heeft ontvangen van de bank, maar van de vereniging. Er ontbreekt derhalve een causaal verband tussen de vermeende ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [eiser] die wordt betwist en de verarming van de bank die ook wordt betwist. De bank is overigens in beginsel dezelfde mening toegedaan, maar heeft zich kennelijk gerealiseerd dat de vereniging geen verhaal biedt en richt dan maar haar pijlen op [eiser]. [Eiser] is dan ook van mening dat de vordering van de bank op grond van ongerechtvaardigde verrijking niet ontvankelijk, danwel als ongegrond dient te worden afgewezen."
4.7 De onder 4.6 geciteerde passages zijn niet steeds gemakkelijk te doorgronden (ook niet in taalkundige zin). Zoveel is duidelijk:
a. ook [eiser] ziet in dat de bank is verarmd, zij het dan ook in zijn visie als gevolg van de betaling aan de Ontvanger;
b. het ontbreken van causaal verband wordt vooral en met name bepleit omdat [eiser] geen geld zou hebben ontvangen "van de bank", maar "van de vereniging"; zie de gecursiveerde passage onder 4.6.
4.8 Deze klachten missen feitelijke grondslag omdat het Hof, zoals uiteengezet onder 3, wel degelijk op een en ander is ingegaan; in elk geval ligt het genoegzaam in zijn oordeel besloten. Met betrekking tot het punt onder 4.7 a) heeft het klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat ten tijde van de betaling door de bank aan [eiser] (te weten: nadat beslag was gelegd) als een paal boven water stond dat de bank dit bedrag aan de Ontvanger zou moeten afdragen. Aldus bezien kan niet met vrucht een rechtens relevant onderscheid worden gemaakt tussen de eerste en de tweede betaling.
4.9 De onder 4.7 b) aan de orde gestelde problematiek heeft een hoog semantisch gehalte. 's Hofs oordeel komt erop neer dat het in de gegeven omstandigheden materieel gesproken gaat om geld van de bank. Dat oordeel, dat als zodanig niet wordt bestreden, heeft een hoog feitelijk gehalte. Onbegrijpelijk is het zeker niet.
4.10 Verderop werpt het onderdeel nog in de strijd dat de Vereniging is verrijkt; immers zou haar belastingschuld teloor zijn gegaan.
4.11 In [eiser]s benadering is met geld van de Vereniging een schuld die zij aan de fiscus had afgelost. Waarom zou dat een verrijking zijn? Hoe dat ook zij, [eiser] ziet voorbij aan de bijzonderheden van deze zaak, die kunnen worden afgeleid uit de verschillende (door het Hof geciteerde) getuigenverklaringen en het p.v. van de comparitie in appèl. De in 2004 ontbonden Vereniging dreef klaarblijkelijk een casino.(2) Van een deugdelijke administratie was geen sprake. Eén van de pretense crediteuren - zekere [betrokkene 8] - kon niet worden opgespoord; handtekeningen op beweerdelijk van hem afkomstige - door [eiser] in geding gebrachte - stukken verschillen blijkens rov. 2.8 van 's Hofs eindarrest "(zeer) van elkaar". Een aantal beweerde schuldeisers zou, volgens [eiser] - ten dele daarin gelogenstraft door betrokkenen zelf - voor tienduizenden euro's vorderingen op de Vereniging hebben ter zake van allerlei werkzaamheden; het Hof heeft een deel dier verklaringen als ongeloofwaardig afgedaan. De vereniging had een aanzienlijke belastingschuld waarvoor de Ontvanger beslag heeft gelegd. Bij die stand van zaken moet [eiser] hebben geweten dat betaling aan hem er praktisch toe zou leiden dat de bank het betaalde niet zou kunnen terugvorderen van de Vereniging. Het onderstreept eveneens de juistheid van 's Hofs feitelijke oordeel dat de betaling praktisch gesproken uit het vermogen van de bank kwam.
4.12 Alle klachten lopen op het voorafgaande stuk.
4.13 Ten overvloede: de juridische problematiek wordt uitvoerig behandeld in de fraaie s.t. van mrs Polak en Citteur onder 13 e.v.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Zie onder 3, 4.1 en 4.2 van het arrest van het Hof Arnhem van 28 november 2006, (deels) in verbinding met rov. 2.1 - 2.6 van het vonnis van de Rechtbank Zutphen van 21 juli 2004.
2 Blijkens het p.v. van de cvp heeft de advocaat van de bank erop gewezen dat de Vereniging blijkens de statuten een gezelligheidsvereniging zou zijn wat hij - allerminst onbegrijpelijk - niet kon rijmen met de uitbating van een casino.