ECLI:NL:PHR:2010:BN1421
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ongerechtvaardigde verrijking door derdenbeslag onder bank en betaling aan schuldeiser
De zaak betreft een geschil over een betaling van de bank aan een schuldeiser, ondanks dat er executoriaal derdenbeslag lag op de tegoeden van een vereniging bij die bank. De vereniging had een aanzienlijke belastingschuld en het beslag was gelegd door de belastingdeurwaarder namens de Ontvanger. De bank had in opdracht van een vertegenwoordiger van de vereniging een bedrag overgemaakt naar de rekening van de schuldeiser, waarna zij later het beslagbedrag aan de Ontvanger betaalde.
De bank vorderde van de schuldeiser terugbetaling van het bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wees de vordering toe, het hof vernietigde dit vonnis deels en oordeelde dat een deel van de vorderingen reëel was, maar dat voor een substantieel bedrag sprake was van ongerechtvaardigde verrijking. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de betaling na het beslag uit het vermogen van de bank voortvloeit, dat de schuldeiser verrijkt is en de bank verarmd, en dat er een voldoende causaal verband bestaat.
De Hoge Raad wijst de klachten van de schuldeiser af die betoogde dat de verrijking niet aan hem toe te rekenen is omdat het geld van de vereniging kwam. De Hoge Raad benadrukt dat het feitelijke en juridische oordeel van het hof begrijpelijk en zorgvuldig is, mede gelet op de onbetrouwbaarheid van de stellingen van de schuldeiser en de omstandigheden rondom de vereniging en haar administratie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de schuldeiser tot terugbetaling van het bedrag dat hij ten onrechte ontving ondanks het beslag.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schuldeiser wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat hij ten onrechte ontving ondanks het beslag.