ECLI:NL:PHR:2010:BN1252
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Derdenbeslag op koopsom bij koop registergoed en de werking van art. 7:3 lid 3 BW
In deze zaak staat centraal of de bescherming van de inschrijving van de koop van een registergoed (de Vormerkung) zich uitstrekt tot een derdenbeslag op de koopsom onder de koper wanneer de koper ondanks het beslag de koopsom betaalt aan de notaris.
De feiten betreffen een koopovereenkomst van erfpachtrechten met een koopsom van € 850.000,-, waarbij derdenbeslag is gelegd door een schuldeiser van de verkoper onder de koper op de koopsom. De koper heeft de volledige koopsom aan de notaris voldaan. De rechtbank oordeelde dat deze betaling niet bevrijdend was jegens de beslaglegger, maar het hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering af, stellende dat het beslag niet tegen de koper kon worden ingeroepen.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 7:3 lid 3 BW Pro een limitatieve opsomming geeft van rechtsfeiten die niet tegen de koper kunnen worden ingeroepen en dat derdenbeslag onder de koper niet in deze opsomming is begrepen. Desondanks volgt uit het stelsel van de wet dat een dergelijk derdenbeslag, indien de koper de koopsom aan de notaris betaalt, niet tegen de koper kan worden ingeroepen omdat anders de bescherming van de koper door de Vormerkung zou worden ondermijnd.
De conclusie is dat de betaling aan de notaris bevrijdend is jegens de beslaglegger en dat het beslag onder de koper de afwikkeling van de koopovereenkomst niet mag frustreren. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank dat de vordering van de beslaglegger afwijst.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat betaling van de koopsom aan de notaris bevrijdend is jegens derdenbeslag onder de koper en wijst de vordering van de beslaglegger af.