ECLI:NL:PHR:2010:BM9857
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling strafmotivering en vreemdelingenrechtelijke gevolgen bij oplegging gevangenisstraf
Verdachte was in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren voor afpersing en poging tot diefstal met geweld, gepleegd door meerdere personen. De raadsman van verdachte voerde aan dat de straf onevenredige vreemdelingenrechtelijke gevolgen had, omdat een gevangenisstraf van drie jaar zou leiden tot niet-verlenging van zijn verblijfsvergunning en daarmee tot uitzetting uit Nederland.
Het hof heeft dit verweer betrokken in zijn strafmotivering, maar oordeelde dat verdachte de vreemdelingenrechtelijke consequenties op de koop toe heeft genomen en dat deze niet reden zijn om van de opgelegde straf af te wijken. De raadsman had verzocht om matiging van de straf met één dag om de gevolgen voor de verblijfsvergunning te vermijden, maar dit verzoek werd afgewezen.
De Hoge Raad overweegt dat het hof vrij staat om te bepalen welke factoren bij de strafoplegging worden betrokken en dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom het geen aanleiding zag om de straf te matigen vanwege vreemdelingenrechtelijke gevolgen. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.
De zaak benadrukt dat vreemdelingenrechtelijke consequenties niet automatisch leiden tot strafvermindering, mits de rechter deze consequenties onder ogen ziet en motiveert waarom daarvan wordt afgezien.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de gevangenisstraf van drie jaren zonder strafvermindering vanwege vreemdelingenrechtelijke gevolgen.