ECLI:NL:PHR:2010:BM8885

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01423
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub c FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling bij lichamelijke beperkingen

Verzoekster diende een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) in, waarbij zij stelde vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat te zijn arbeid te verrichten. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 288 lid 1 sub b en Pro c van de Faillissementswet.

In hoger beroep bevestigde het hof dat onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou nakomen, met name de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof hechtte belang aan het ontbreken van een onafhankelijk medisch rapport dat haar onvermogen bevestigde.

De Hoge Raad concludeerde dat het middel van verzoekster onvoldoende onderbouwd was en dat het hof terecht het beroep had afgewezen. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot cassatie en verwierp het beroep met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Conclusie

10/01423
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Parket, 21 juni 2010
CONCLUSIE inzake:
[Verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. D.D.S. Doelam.
Deze zaak betreft een verzoek tot toepassing van de WSNP en leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Verzoekster tot cassatie (hierna: [verzoekster]) heeft op 28 augustus 2009 een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank 's-Gravenhage. Bij vonnis van 12 februari 2010 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op de grond dat niet voldaan is aan de in art. 288 lid 1 aanhef Pro en sub b en sub c Fw gestelde vereisten. In het hiervan door [verzoekster] ingestelde hoger beroep heeft het hof 's-Gravenhage bij arrest van 30 maart 2010 geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (art. 288 lid 1 aanhef Pro en sub c Fw), en heeft het hof het bestreden vonnis op die grond bekrachtigd.
2. [Verzoekster] is bij ter griffie van de Hoge Raad op 1 april 2010 ingekomen verzoekschrift tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen met één middel van cassatie. Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Het middel richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen hetgeen het hof in rov. 4, tweede alinea, en rov. 5 van zijn bestreden arrest heeft overwogen.
3.1 De rechtsklacht kan bij gebreke van een uitwerking of toelichting niet in behandeling worden genomen.
3.2 De motiveringsklacht ziet eraan voorbij dat het hof zijn bestreden oordeel in de kern hierop heeft gebaseerd dat [verzoekster] haar stelling dat zij wegens lichamelijke beperkingen (vooralsnog) niet in staat is arbeid te verrichten, onvoldoende heeft onderbouwd, zodat, waar niet is komen vast te staan dat van haar geen (enkele) betaalde arbeidsinspanning kan worden gevergd, er geen rechtvaardiging bestaat voor een vrijstelling op voorhand van de aan de schuldsaneringsregeling verbonden verplichtingen, met name de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof heeft hierbij van belang geacht dat een rapport van een onafhankelijke gedrags-/medisch-/arbeidsdeskundige over de actuele medische situatie van [verzoekster] op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat naleving van bedoelde inspanningsverplichting redelijkerwijs onmogelijk is, ontbreekt.
De verwijzing van het middel naar een werkplan uit 2007 (overgelegd in hoger beroep als productie 17) baat het middel dan ook niet, nog daargelaten dat bedoeld werkplan ten grondslag is gelegd aan de stelling dat [verzoekster] meedoet aan diverse trainingen om "in de toekomst" kans te maken op betaalde arbeid (vgl. pleitnota onder 2); dat zij, anders dan het hof haar stellingen heeft begrepen, níet op voorhand (voorlopig) wenst te worden vrijgesteld van de inspanningsverplichting ex art. 288 lid 1 sub c Fw Pro volgt uit deze stelling evenmin.
Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar de stelling van [verzoekster] dat zij, gelet op haar inspanningen (bestaande in het volgen van cursussen, A-G), gedreven is om zo snel mogelijk de arbeidsmarkt te betreden om haar financiële situatie te verbeteren (vgl. pleitnota i.h.b. onder 4.2); de stelling maakt de door het hof aan de stellingen van [verzoekster] gegeven uitleg, t.w. dat zij in verband met arbeidsongeschiktheid (vooralsnog) niet kan voldoen aan de inspanningsverplichting van art. 288 lid 1 sub c Fw Pro, niet onbegrijpelijk. In haar beroepschrift onder 1.10 en 2.2.1 heeft [verzoekster] immers expliciet de stelling betrokken dat zij vanwege lichamelijke beperkingen thans niet in staat is om betaalde arbeid te verrichten; vgl. ook de in cassatie onbestreden weergave van de stellingen van [verzoekster] in rov. 3 van het bestreden arrest.
De stelling van [verzoekster] dat zij verwacht na voltooiing van haar sollicitatie-opleiding aan de slag te kunnen gaan, mist tenslotte feitelijke grondslag; dat zij een stelling van deze strekking ter zitting heeft aangevoerd, blijkt niet uit de gedingstukken noch uit de weergave van de stellingen van [verzoekster] in rov. 3 van het bestreden arrest.
Voor zover het middel met genoemde verwijzingen anderszins de begrijpelijkheid van de bestreden overwegingen beoogt te bestrijden, is het onvoldoende uitgewerkt om in behandeling te kunnen worden genomen.
4. De conclusie strekt mitsdien tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G