ECLI:NL:PHR:2010:BM7809

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00377
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder verlening van schone lei wegens niet-nakoming sollicitatieplicht

Verzoekers tot cassatie waren onder de schuldsaneringsregeling geplaatst door de rechtbank Breda. De rechtbank beëindigde de regeling zonder verlening van een schone lei vanwege toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de sollicitatieplicht, ondanks herhaalde waarschuwingen.

Verzoekers gingen in hoger beroep bij het hof 's-Hertogenbosch, dat het vonnis bekrachtigde. Het hof oordeelde eveneens dat verzoekers niet aan hun sollicitatieplicht hadden voldaan en zag geen reden tot verlenging van de regeling.

In cassatie voerden verzoekers aan dat zij niet begrepen dat zij een sollicitatieplicht hadden vanwege communicatieproblemen met de bewindvoerder. De Hoge Raad oordeelde dat deze feiten niet in cassatie kunnen worden aangevoerd omdat ze een waardering van feitelijke aard betreffen.

Daarnaast stelde verzoekers dat zij vanaf april 2009 aan de sollicitatieplicht voldeden, maar het hof vond dat niet aannemelijk voor de periode na juni 2009. De Hoge Raad vond dat dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk was.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van een schone lei wordt bevestigd.

Conclusie

Zaaknummer: 10/00377
mr. Wuisman
Parketdatum: 11 juni 2010
CONCLUSIE inzake :
[Verzoeker 1] en [Verzoekster 2],
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.
1. Voorgeschiedenis
Op ieder van de verzoekers tot cassatie is door de rechtbank Breda bij vonnis d.d. 18 juli 2006 de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Bij vonnis d.d. 30 september 2009 heeft de rechtbank, na verzoekers tot cassatie en de bewindvoerder op 23 september 2009 te hebben gehoord, de schuldsaneringsregeling conform het advies van de bewindvoerder beëindigd zonder verlening van 'een schone lei'. Naar het oordeel van de rechtbank zijn verzoekers tot cassatie gedurende de periode dat de schuldsaneringsregeling van kracht was toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht. Zij zijn, zo stelt de rechtbank vast, meer malen op die plicht gewezen.
Bij een beroepschrift van 7 oktober 2009 zijn verzoekers tot cassatie van het vonnis in hoger beroep gegaan bij het hof 's-Hertogenbosch. Het verzoekschrift eindigt met het verzoek primair om de schuldsaneringsregeling te beëindigen onder verlening van een schone lei, subsidiair om de regeling te verlengen met één jaar of althans met een door het hof in goede justitie te bepalen termijn.
Het hof hoort op 8 januari 2010 verzoekers tot cassatie, die daarbij worden bijgestaan door een advocaat, en een kantoorgenoot van de bewindvoerder. Op 20 januari 2010 volgt het arrest, waarin het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Ook het hof komt tot de slotsom dat verzoekers tot cassatie gedurende de periode dat de schuldsaneringsregeling van kracht was toerekenbaar tekort zijn geschoten in de naleving van de sollicitatieverplichting. Voor verlenging van de regeling ziet het hof evenmin aanleiding. Verzoekers tot cassatie hebben, gelet op het verloop van de regelingen sedert 18 juli 2009 - de bewindvoerder heeft wederom geen sollicitatiestukken ontvangen -, niet aannemelijk gemaakt dat zij genoemde verplichting zullen nakomen.
Met een verzoekschrift dat op 28 januari 2010 bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen, zijn verzoekers tot cassatie van het arrest van het hof in cassatie gekomen.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Er worden twee cassatiemiddelen voorgedragen. Aan beide middelen ligt ten grondslag dat verzoekers tot in ieder geval het voorjaar 2009 niet hebben begrepen dat op hen in het kader van de schuldsaneringsregeling een sollicitatieplicht rustte en dat als gevolg van het feit dat de bewindvoerder heeft nagelaten om met verzoekers tot cassatie via een tolk te communiceren. Deze omstandigheid kan meebrengen, zo wordt gesteld, dat de door verzoekers tot cassatie gemaakte fout hen niet in voldoende mate kan worden verweten.
2.2 Op genoemde omstandigheid is niet eerder een beroep gedaan. Omdat de vaststelling van de juistheid van de omstandigheid een waardering van feitelijke aard vergt, kan zij niet voor het eerst in cassatie worden opgevoerd. Dit betekent dat de cassatiemiddelen reeds stranden, omdat zij op een niet deugdelijke feitelijke grondslag stoelen.
2.3 In verband met cassatiemiddel II wordt nog aanvullend het volgende opgemerkt. Gesteld wordt dat verzoekers tot cassatie vanaf april 2009 aan de hen opgelegde plicht (vier sollicitaties per maand) voldeden. Het hof heeft aan het slot van rov. 3.5.4 vastgesteld dat als onbetwist vaststaat, dat na juni 2009 de bewindvoerder geen sollicitatiestukken heeft ontvangen. Daarmee geeft het hof te kennen dat niet kan worden aangenomen dat verzoekers tot cassatie na juni 2009 aan hun sollicitatieplicht hebben voldaan. Dat dit oordeel onjuist of onbegrijpelijk is, wordt in het kader van cassatiemiddel II niet aangetoond. Dit betekent dat cassatiemiddel II ook op een ondeugdelijke grondslag berust, voor zover het middel stoelt op de stelling dat verzoekers tot cassatie vanaf april 2009 aan de hen opgelegde plicht (vier sollicitaties per maand) voldeden. Het hof heeft dit laatste hooguit mogelijk geacht voor de periode april tot en met juni 2009.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden