ECLI:NL:PHR:2010:BM6937

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04082
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359.2 SvArt. 359.8 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens ontbreken motivering betrouwbaarheid getuigenverklaringen

In deze zaak is verdachte door het hof veroordeeld wegens poging tot moord door het bewegen van een ander met beloning en inlichtingen. De verdediging stelde onder meer dat het bewijs uitsluitend berustte op de getuigenverklaring van één getuige, waarbij andere verklaringen slechts 'de auditu' waren en derhalve onbetrouwbaar.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof weliswaar is afgeweken van het door de verdediging onderbouwde standpunt over de betrouwbaarheid van de getuigen, maar daarbij niet in strijd met art. 359.2 Sv de redenen heeft gegeven die deze afwijking motiveren. Dit is een motiveringsgebrek dat leidt tot nietigheid van het arrest volgens art. 359.8 Sv.

De Hoge Raad wijst erop dat de selectie en waardering van bewijs aan het hof zijn voorbehouden, maar dat de betrouwbaarheid van verklaringen een expliciete motivering vereist. Omdat het hof deze motivering niet heeft gegeven, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een motivering voor de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

Nr. 09/04082
Mr. Vegter
Zitting: 1 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. "Poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een moord te begaan" veroordeeld tot twee jaar en zes maanden gevangenisstraf met aftrek, met opheffing van het bevel tot gevangenneming d.d. 3 juli 2008.
2. Namens de verdachte heeft mr. P.J. Zandt, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het bewijs eigenlijk is terug te brengen tot enkel de getuigenverklaring van [betrokkene 1], omdat de andere getuigenverklaringen, van getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 4] "de auditu" verklaringen betreffen, die ontleend zijn aan wat zij van getuige [betrokkene 1] hebben gehoord, zonder dat het Hof daartoe in het bijzonder de redenen heeft opgegeven.
4. Door de verdediging is dienaangaande aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel is weergegeven. Zakelijk weergegeven houdt het standpunt van de verdediging in dat uit de diverse getuigenverklaringen slechts kan volgen dat getuige [betrokkene 4] zijn wetenschap slechts heeft ontleend aan wat hij van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gehoord, en ten aanzien van de verklaringen van getuige [betrokkene 2] dat zowel zijzelf als getuige [betrokkene 1] wel eens hebben verklaard dat zij het plan van verdachte van verdachte zelf heeft gehoord, doch dat met name uit de diverse verhoren van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris volgt dat [betrokkene 2] niet uit eigen waarneming of wetenschap heeft verklaard.
5. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is sprake indien het standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.(1) Het in de toelichting op het middel weergegeven standpunt voldoet hier mijns inziens aan. Daarbij merk ik wel op dat hetgeen ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 2] is aangevoerd direct raakt aan de selectie en waardering van het bewijs welke is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en die zijn beslissing dienaangaande in beginsel niet nader hoeft te motiveren.
6. Het Hof heeft in zijn arrest onder het kopje "Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden" het volgende overwogen:
"De verdachte heeft [betrokkene 1] meermalen benaderd met de vraag of hij haar man [slachtoffer] wilde vermoorden. Hij mocht het zelf doen, maar hij mocht ook anderen inschakelen. Als hij op dit verzoek zou ingaan, zou hij van de verdachte 500.000 gulden als beloning ontvangen.
Haar man wilde scheiden en hij moest opgeruimd worden, dood, voor de scheiding.(1)
De verdachte heeft als reden voor haar verzoek te kennen gegeven dat haar man van haar wilde scheiden en dat zij dan haar centjes kwijt zou zijn.(2)
De verdachte heeft dit verzoek aan [betrokkene 1] voor het eerst gedaan ongeveer een jaar voor de dood van [slachtoffer] op 9 september 1999, en wel in de slaapkamer van de woning van [betrokkene 1]. De verzoeken zijn gestopt (enkele) maanden voor de dood van [slachtoffer].(3)
[Betrokkene 1] woonde destijds op het adres [a-straat 1a] te [plaats](4), samen met [betrokkene 2].(5)
[Betrokkene 1] heeft samen met zijn vriendin [betrokkene 2] gesproken met [betrokkene 4] over het verzoek van de verdachte.(6) [Betrokkene 4] heeft dit bevestigd(7), [betrokkene 2] ook.(8)
[Betrokkene 2] heeft ook zelf van de verdachte gehoord dat haar man [betrokkene 1] van de verdachte een groot geldbedrag zou krijgen als hij [slachtoffer] zou vermoorden.(9)
De verdachte heeft [betrokkene 1] na deze verzoeken regelmatig gebeld en gaf dan aanwijzingen waar [slachtoffer] zich op dat moment bevond, zodat hij hem dan kon vermoorden.
De verdachte heeft hem ook een foto van [slachtoffer] gegeven, omdat een ander ([betrokkene 3]) erbij kwam.
[Betrokkene 1] had geprobeerd om deze [betrokkene 3] te benaderen, omdat die niets te verliezen had, want hij ging toch dood. [Betrokkene 1] is één keer samen met [betrokkene 3] achter hem aangereden naar Frankrijk, maar weer terug gegaan.10
Noten
1 De verklaring van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 26 januari 2 004.
2 De verklaring van de getuige [betrokkene 1] bij de rechtercommissaris d.d. 28 november 2007, 2e pagina boven.
3 De verklaring van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 26 januari 2004.
4 Aanhef voor verklaring [betrokkene 1] d.d. 24 september 1999 (V07/1) in dossieronderdeel Project CD-ROM Zaak 1.
5 Aanhef en eerste deel verklaring [betrokkene 2] d.d. 8 november 2000 (G16/2) in dossieronderdeel Project CD-ROM Zaak 1.
6 De verklaring van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 26 januari 2004.
7 De verklaring van [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris d.d. 11 juli 2005.
8 De verklaring van de getuige [betrokkene 2] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 26 januari 2004.
9 De verklaringen van de getuige [betrokkene 2] d.d. 8 november 2000 (G16/2) in dossieronderdeel Project CD-ROM Zaak 1 en ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 26 januari 2004.
10 De verklaringen van de getuige [betrokkene 1] d.d. 24 september 1999 (V07/1) in dossieronderdeel Project CD-ROM Zaak 1 en ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 26 januari 2004."
7. Ten aanzien van de verklaringen van de getuige [betrokkene 4] gaat dus ook het Hof er van uit dat [betrokkene 4] zijn wetenschap enkel door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft verkregen. Het Hof wijkt dus niet af van het standpunt van de verdediging terzake de verklaringen van [betrokkene 4].
8. Ten aanzien van de verklaringen van de getuige [betrokkene 2] is het Hof wel afgeweken van het standpunt van de verdediging. Uit de overweging van het Hof dat [betrokkene 2] ook zelf van de verdachte heeft gehoord dat haar man van verdachte een groot geldbedrag zou krijgen indien hij de partner van verdachte zou vermoorden, volgt duidelijk dat het Hof voor een andere selectie en waardering van de bewijsmiddelen heeft gekozen dan de verdediging voor ogen stond, en dat het Hof anders oordeelt over de verklaring van de getuige [betrokkene 2] die zij heeft afgelegd ter zitting in eerste aanleg van 26 januari 2004. Veel meer valt daar niet over te zeggen.
9. Ik meen dan ook dat in het onderhavige geval, mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om de selectie en waardering van het bewijs, de uitspraak voldoende gegevens bevat in de gebezigde bewijsmiddelen waarin de nadere motivering besloten ligt.(2)
10. Het middel faalt derhalve.
11. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de getuigen [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 1] onbetrouwbaar hebben verklaard, hetgeen zou moeten leiden tot uitsluiting van alle verklaringen van deze getuigen, zonder dat het Hof daartoe in het bijzonder de redenen heeft opgegeven.
12. Door de verdediging is dienaangaande aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel is weergegeven. Dit standpunt voldoet volgens mij aan de eisen te stellen aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zoals hierboven onder 5 weergegeven.
13. Zoals ook in de toelichting op het middel wordt aangevoerd is het Hof blijkens zijn vaststellingen in zijn arrest onder het kopje "Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden" afgeweken van dit standpunt van de verdediging. Kennelijk achtte het Hof de verklaringen van de getuigen betrouwbaar. Het Hof heeft - in strijd met art. 359, tweede lid, Sv - echter niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid.(3)
14. Anders dan in het eerste middel valt ook niet uit het enkele gebruik van die verklaringen tot het bewijs op te maken waarom het Hof is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Hier speelt ook niet de vraag naar de selectie en waardering van het bewijs, maar de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen. Het antwoord op die vraag vergt een uitdrukkelijker motivering.
15. Het middel is terecht voorgesteld.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terugwijzing/verwijzing opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, m.nt Y. Buruma.
2 Vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, m.nt Y. Buruma, r.o. 3.8.2 onder (i).
3 Vgl. HR 15 mei 2007, NJ 2007, 374, m.nt P.A.M. Mevis.