ECLI:NL:PHR:2010:BM5960
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onderbewindstelling en afwijzing verzoek opheffing en benoeming nieuwe bewindvoerder
De moeder is onder bewind gesteld vanwege haar lichamelijke toestand die haar verhindert haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Zij verzocht via haar dochter om opheffing van het bewind en benoeming van de dochter als nieuwe bewindvoerder, terwijl de zoon zich hiertegen verzette en tevens een verzoek tot ondercuratelestelling indiende.
De kantonrechter wees het verzoek tot opheffing van het bewind af en verklaarde zich onbevoegd inzake ondercuratelestelling. Het hof bekrachtigde deze beslissing en wees het hoger beroep van de moeder af. De moeder stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht het criterium van art. 1:431 lid 1 BW Pro heeft toegepast en dat het oordeel van het hof over de vermogensrechtelijke onbekwaamheid van de moeder een waardering van feitelijke aard betreft die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het hof mocht zich baseren op de stukken en de antwoorden van de moeder tijdens de zitting, ook al was zij slechthorend en nerveus.
Verder was het hof bevoegd om de medische verklaring van een arts die de moeder wilsbekwaam achtte, niet te betrekken bij zijn oordeel, en mocht het medische stukken die na de zitting werden ingediend retourneren. Het verzoek tot het benoemen van een andere bewindvoerder werd daarom afgewezen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de onderbewindstelling en wijst het verzoek tot opheffing en benoeming van een nieuwe bewindvoerder af.