ECLI:NL:PHR:2010:BM4341

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03257
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 81 ROArt. 11 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor diefstal medicijnen met oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

In deze zaak stond de diefstal van medicijnen centraal, die verdachte in december 2006 uit de woning van het slachtoffer heeft weggenomen en vernietigd. Het slachtoffer was niet meer in staat zelfstandig beslissingen te nemen, waarna zijn zwager als bewindvoerder/mentor was aangesteld. Ondanks het contactverbod bleef verdachte zich bemoeien met de medicatie en behandeling van het slachtoffer.

Het hof had verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een contactverbod als bijzondere voorwaarde. Het cassatieberoep richtte zich tegen het contactverbod en het bewezenverklaren van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De Hoge Raad oordeelde dat het contactverbod gegrond was, mede omdat het slachtoffer zelf geen bezwaar had gemaakt en het middel geen feitelijke grondslag had.

Ten aanzien van het oogmerk van toe-eigening stelde de verdediging dat het wegnemen van de medicijnen was bedoeld voor het welzijn van het slachtoffer, wat volgens haar het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uitsloot. De Hoge Raad verwees echter naar vaste jurisprudentie dat het oogmerk van toe-eigening niet vereist dat de dader het goed wil behouden, maar dat het voldoende is dat hij als heer en meester over het goed wil beschikken, ook al is dat tijdelijk of met het oog op vernietiging.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had vastgesteld op basis van de verklaringen en bewijsmiddelen. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor diefstal met oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening blijft in stand met het contactverbod als bijzondere voorwaarde.

Conclusie

Nr. 08/03257
Mr. Machielse
Zitting 11 mei 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 21 juli 2008 verdachte ter zake van "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan die veroordeling heeft het hof de bijzondere voorwaarde verbonden dat de veroordeelde op geen enkele wijze contact mag opnemen en onderhouden met [slachtoffer], wonende [a-straat 1] te [woonplaats].
2. Mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.J. Schadd, advocaat te Velp, heeft een schriftuur ingediend, houdende twee middelen van cassatie.
3.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het door het hof als bijzondere voorwaarde opgelegde contactverbod met [slachtoffer] op grond van art. 11 EVRM Pro niet geoorloofd is, nu [slachtoffer] zelf geen contactverbod wenst.
3.2 Het middel gaat ervan uit dat het slachtoffer, [slachtoffer], zelf niet zou willen dat het contact tussen hem en verdachte zou worden be-eindigd. In feitelijke aanleg is hieromtrent niets vastgesteld of aangevoerd.(1) Ik wijs er daarbij nog op dat de politierechter in eerste aanleg ook een voorwaardelijke gevangenisstraf met het contactverbod als bijzondere voorwaarde heeft opgelegd. Gelet op het voorgaande mist het middel feitelijke grondslag en kan het middel niet tot cassatie leiden.
4.1 Het tweede middel lees ik aldus dat erover wordt geklaagd dat het hof ten onrechte "toe-eigening" bewezen heeft verklaard, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat "toe-eigening" het oogmerk van verdachte is geweest. De steller van het middel heeft aangevoerd dat verdachte de medicijnen heeft weggenomen, omdat dit beter voor het slachtoffer zou zijn. Deze beweegreden om de medicijnen weg te nemen blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen en is onbestaanbaar met een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
4.2 Het hof heeft bewezen verklaard dat:
"1.
zij in de periode van 23 december 2006 tot en met 24 december 2006 te [plaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen medicijnen, toebehorende aan [slachtoffer]"
4.3 Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen tot het bewijs gebezigd:
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage bij de bundel processen-verbaal genummerd PL0500/07-003209) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte:
"Ik wil graag verklaren over de bemoeienis aangaande [slachtoffer]. Ik heb de 23e of de 24e medicijnen bij [slachtoffer] weggenomen. Ik heb alle medicijnen weggenomen. Ik was alleen met [slachtoffer] en toen heb ik de medicijnen uit zijn
woonkamerkast gehaald. Deze medicijnen worden hem opgedrongen. Ik heb altijd wel geweten dat ik daar niet het recht toe had en dat deze medicijnen niet mijn eigendom zijn."
2. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 7 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
"[Slachtoffer] neemt die medicijnen als ze worden voorgezet. Ik heb ze weggenomen omdat dat beter was voor [slachtoffer]."
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage bij de bundel processen-verbaal genummerd PL0500/07-003209) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 1]:
"Ik ben de zwager van [slachtoffer] en aangesteld als zijn bewindvoerder/mentor, nadat mijn zwager een hersenbloeding heeft gehad en niet meer zelfstandig beslissingen kan nemen. Ik ben dan ook gerechtigd om aangifte te doen van diefstal van medicijnen, welke aan mijn zwager persoonlijk zijn voorgeschreven. Op 23 december 2006 omstreeks 22.00 uur is [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) bij [slachtoffer] thuis geweest (het hof begrijpt: in zijn woning in [woonplaats]). Zij heeft geprobeerd [slachtoffer] te overtuigen zijn medicijnen niet meer in te nemen. Op 24 december 2006 is [verdachte] wederom naar het huis van [slachtoffer] gegaan en heeft de gehele voorraad medicijnen en de medicijnkaart meegenomen en zoals zij zelf heeft gezegd vernietigd."
4.4 Toe-eigenen als bedoeld in art. 310 Sr Pro houdt in het "als heer en meester beschikken"(2) en het "zich als eigenaar gedragen".(3) Reeds in de memorie van toelichting bij art. 310 Sr Pro is de gedachte verworpen dat winstbejag een noodzakelijk oogmerk van de dader moest zijn:
"Het strafbare feit is bij diefstal het wegnemen; dit wegnemen moet hebben plaats gehad met het bepaalde oogmerk om zich het goed toe te eigenen. Daarbij is het onverschillig welk ander meer verwijderd doel de dief gehad hebbe, en welke voornemens hij koesterde ten aanzien van het voorwerp, waarvan hij zich heeft meester gemaakt."(4)
Geenszins is nodig de wil om de eigendom zelf bij voortduring te behouden.(5) Men kan ook stelen met het oogmerk om na de diefstal het goed ter beschikking van een ander te stellen(6) of het goed te vernietigen.(7) Diegene heeft dan toch het oogmerk gehad om, hoe kort dan ook, daarover als heer en meester te beschikken.(8)
4.5 Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn geweest medicijnen toebehorende aan [slachtoffer] uit diens woning heeft weggenomen en vernietigd (bewijsmiddelen 1, 2 en 3), omdat dat beter voor hem zou zijn (bewijsmiddel 2). Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte het oogmerk heeft gehad om wederrechtelijk als heer en meester over de medicijnen te beschikken en derhalve met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de medicijnen heeft weggenomen. Het middel faalt.
5. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen.
6. Gronden waarop uw Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Ik merk hierbij nog op dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene 1], zwager van het slachtoffer, is aangesteld als zijn bewindvoerder/ mentor, nadat het slachtoffer een hersenbloeding heeft gehad en niet meer zelfstandig beslissingen kan nemen (bewijsmiddel 3). Bij de oplegging van de straf heeft het hof overwogen dat uit de verklaring van onder meer [betrokkene 1] is gebleken dat verdachte zich ook na de diefstal is blijven bemoeien met de medicatie en behandeling van het slachtoffer, zelfs tegen de uitdrukkelijke wil van de mentor en de thuiszorg in, en dat verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat zij zich met de medicatie en behandeling van het slachtoffer zal blijven bemoeien, ondanks het haar door de familie opgelegde contactverbod. Voorts heeft voornoemde [betrokkene 1] de Hoge Raad in een brief gedateerd 10 februari 2009 verzocht om een spoedige afdoening van de zaak, zodat de bijzondere voorwaarde zo snel mogelijk ten uitvoer kan worden gelegd.
2 Vgl. HR 14 februari 1938, NJ 1938, 731; HR 3 november 1964, NJ 1965, 120 m.nt. W.P. en HR 14 mei 1996, DD 96.304 (diefstalzaken) en HR 16 december 1975, NJ 1976, 186 m.nt. ThWvV; HR 24 oktober 1989, NJ 1990, 256 en HR 22 mei 1990, NJ 1990, 784 (verduisteringszaken). Zie ook H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, uitgave 1881, p. 466-467.
3 Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, uitgave 1881, p. 468.
4 Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, uitgave 1881, p. 464.
5 Vgl. HR 10 december 1957, NJ 1958, 49 m.nt. W.P. en HR 3 november 1964, NJ 1965, 120 m.nt. W.P.
6 Vgl. HR 14 februari 1938, NJ 1938, 731.
7 Vgl. HR 4 maart 1935, NJ 1935, p. 685, W 12897.
8 Zie ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 310, aant. 6 (suppl. 139, augustus 2007).