ECLI:NL:PHR:2010:BM4139

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01260
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 lid 2 RvArt. 401a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van tussentijds hoger beroep tegen incidentele vonnissen in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft eiser incidenteel verzocht tot oproeping in vrijwaring van derden en om pleidooi in dat incident. De rechtbank Haarlem wees beide verzoeken bij afzonderlijke vonnissen af. Eiser stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat eiser niet-ontvankelijk verklaarde omdat het ging om tussenvonnissen waarop slechts hoger beroep openstaat tegelijk met het eindvonnis, tenzij anders bepaald.

Eiser voerde aan dat de vonnissen als einduitspraak moesten worden beschouwd omdat in het dictum van het vonnis waarin de oproeping in vrijwaring werd afgewezen een uitdrukkelijk einde aan die vordering werd gemaakt, en dat het vonnis over het pleidooi daarmee verweven was. De Hoge Raad oordeelde echter dat beide vonnissen tussenvonnissen zijn in de hoofdzaak, waarop ingevolge art. 337 lid 2 Rv Pro slechts tussentijds hoger beroep mogelijk is indien de rechter dit uitdrukkelijk toestaat.

Omdat de rechter dat niet had gedaan, was het hoger beroep niet ontvankelijk. Het arrest van het hof maakte geen einde aan het geding over enig deel van het gevorderde, zodat het een tussenarrest betrof waartegen cassatie slechts onder bepaalde omstandigheden openstaat, die hier niet aanwezig waren. Daarom werd de conclusie tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep van eiser gegeven.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van uitdrukkelijke toestemming voor tussentijds hoger beroep tegen tussenvonnissen.

Conclusie

Rolnummer: 09/01260
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 9 april 2010
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerster 2]
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 In de procedure bij de rechtbank Haarlem tussen verweerders in cassatie, [verweerder] c.s. als eisers in de hoofdzaak, en eiser tot cassatie, [eiser], als gedaagde in de hoofdzaak, heeft [eiser] - voor zover thans van belang - een incidentele vordering ingesteld tot oproeping in vrijwaring van (o.a.) de gemeente Haarlem, de voormalig advocaat van de gefailleerde stichting WIA 1991, mr. E.T. van de Hout, en de curator in het faillissement van WIA, mr M.L. Daniëls-Vetter.
1.2 Nadat [verweerder] c.s. bij conclusie van antwoord in het incident hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering ten aanzien van genoemde personen, heeft [eiser] bij brief verzocht te worden toegelaten tot pleidooi in het vrijwaringsincident. [Verweerder] c.s. hebben daartegen bezwaar gemaakt.
1.3 De rechtbank heeft bij vonnis in het incident van 24 oktober 2007 de vordering tot oproeping in vrijwaring van genoemde personen afgewezen, en voorts bij afzonderlijk vonnis in het incident van eveneens 24 oktober 2007 het verzoek tot pleidooi afgewezen.
1.4 Op het door [eiser] tegen beide vonnissen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof te Amsterdam [eiser] bij arrest van 24 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Haarlem voor voortprocederen in de hoofdzaak.
1.5 [Eiser] heeft tegen dit arrest tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
1.6 Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat de vonnissen waarvan beroep tussenvonnissen zijn als bedoeld in art. 337 lid 2 Rv Pro. waarvan slechts hoger beroep openstaat tegelijk met het eindvonnis, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat in het dictum van het vonnis waarbij de oproeping in vrijwaring is afgewezen, een uitdrukkelijk einde aan de vrijwaringsvordering wordt gemaakt en dat deze uitspraak dus als een einduitspraak heeft te gelden. Hetzelfde geldt, aldus het middel, voor het vonnis waarbij het verzochte pleidooi is afgewezen aangezien deze beslissing zodanig met de eerste is verweven.
1.7 Een vonnis in het vrijwaringsincident is een tussenvonnis in de hoofdzaak, waarvan ingevolge art. 337 lid 2 Rv Pro. slechts tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld wanneer de rechter die het wijst in zijn dictum de mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk openstelt(2). Hetzelfde geldt voor het vonnis waarin een verzoek om pleidooi is afgewezen(3). Een arrest waarbij het hof appellant op grond van art. 337 lid 2 Rv Pro. niet-ontvankelijk verklaart, maakt op zijn beurt weer geen einde aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde en is dus een tussenarrest waarvan op de voet van art. 401a lid 2 Rv. slechts onder bepaalde omstandigheden cassatieberoep openstaat(4). Nu deze omstandigheden zich niet voordoen, dient [eiser] niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser tot cassatie in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De cassatiedagvaarding is op 24 oktober 2008 uitgebracht. Vervolgens is het verzuim om de zaak tijdig ter rolle in te schrijven hersteld bij exploot van 24 december 2008 met oproeping van [verweerder] c.s. ter rolle van 27 maart 2009.
2 Zie Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, art. 210, aant. 5 en art. 208, aant. 4-6; Van Maanen 2008, (T&C Rv), art. 210, aant. 4d.
3 Zie HR 5 oktober 2001, LJN ZC3669 (NJ 2002, 514), rov. 3.2 en Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 41, p.51 over HR 11 juli 2003, LJN AF7676 (NJ 2003, 567).
4 Vaste rechtspraak. Zie o.m. HR 4 februari 2005, LJN AR6188 (NJ 2005, 142) en HR 14 december 2007, LJN BB7189 (NJ 2008,9).