ECLI:NL:PHR:2010:BM3975
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter tot gedwongen schuldregeling ondanks weigering UWV bij steunfraude
In deze zaak staat centraal of het UWV kan worden gedwongen mee te werken aan een door de schuldenaar voorgestelde schuldregeling op grond van artikel 287a van de Faillissementswet, ondanks dat het UWV op grond van sociale zekerheidswetgeving verplicht is terugvordering te doen bij steunfraude en daardoor weigert mee te werken.
De schuldenaar bood een minnelijk akkoord aan waarbij circa 4,95% van de vorderingen werd betaald, maar het UWV weigerde als enige schuldeiser in te stemmen. Zowel de rechtbank als het gerechtshof oordeelden dat het UWV niet in redelijkheid tot weigering kon komen, mede omdat het akkoord het hoogst haalbare perspectief bood en toepassing van de schuldsaneringsregeling geen uitkering zou opleveren.
Het UWV stelde in cassatie dat de sociale zekerheidswetgeving het medewerken aan schuldregelingen bij steunfraude uitsluit, waardoor de rechter het UWV niet tot medewerking kan dwingen. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat de rechter op grond van artikel 287a Fw een belangenafweging maakt waarbij ook de belangen van andere schuldeisers en de schuldenaar worden meegewogen. De wettelijke beperkingen voor het UWV sluiten niet uit dat de rechter een bevel tot medewerking kan geven.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de overgangsrechtelijke bevoorrechting van het UWV niet onmiddellijk van toepassing is op lopende zaken, omdat het akkoord al was voorbereid en goedgekeurd door andere schuldeisers voor de wetswijziging. Het beroep van het UWV op onmiddellijke werking van de nieuwe bevoorrechting faalde dan ook.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee het UWV werd bevolen mee te werken aan de schuldregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de rechter het UWV kan bevelen mee te werken aan de schuldregeling ondanks wettelijke beperkingen en wijst het cassatieberoep van het UWV af.