1 In het eindvonnis van 5 april 2006.
2 En van de eerder ter sprake gekomen partij [A], die echter in de appel- en cassatie-instanties geen rol meer speelt.
3 Het arrest van het hof is gepubliceerd in NJF 2009, 82; zie ook Schadevergoeding (losbl.), Lindenbergh en Boonekamp, art. 101, aant. 40 sub b.
4 Het arrest is van 16 december 2008. De cassatiedagvaarding is op 13 maart 2009 uitgebracht.
5 Het hof verwijst daarvoor naar HR 18 september 1998, NJ 1998, 818 (rov. 3.4, waar de lezer wordt verwezen naar HR 25 november 1994, NJ 1995, 154); zie ook HR 8 september 2006, NJ 2006, 494, rov. 3.3.
6 Dat uitgangspunt is juist, zoals ook van de kant van [verweerder] in cassatie wordt erkend. Zie bijvoorbeeld HR 17 november 2006, RvdW 2006, 1076, rov. 3.3.3 (geannoteerd door Bouman in JA 2007, 59) en HR 22 april 2006, NJ 2006, 20, rov. 3.5.6.
7 Zo begrijp ik alinea's 14 - 23 van de schriftelijke toelichting van de kant van [verweerder].
8 Ik denk, hierop aansluitend, dat het betoog van de kant van [verweerder] dat (ertoe strekt dat) het hof een "zwalkende" opstelling aan de kant van [eiser] c.s. zou hebben gesignaleerd (en dat dat de hier aangevochten beslissing zou verklaren), geen hout snijdt. Ik zie geen aanwijzingen dat het hof de stellingen van [eiser] c.s. op dit punt als dusdanig inconsistent heeft aangemerkt dat dat gevolgen voor de bewijslastverdeling moest hebben. Rov. 14 gaat er daarentegen kennelijk van uit dat [eiser] c.s. hadden gesteld dat aan [verweerder] (ook) was meegedeeld waarom er van de kant van [eiser] c.s. om extra verankering werd gevraagd (en constateert dan dat die stelling niet als vaststaand kan worden aangenomen). Dat lijkt mij niet goed te verenigen met de lezing van het arrest die [verweerder] hier verdedigt.
9 Onderdeel 1.2 vermeldt twee vindplaatsen in de stukken van het hoger beroep, waar men inderdaad (ook) een algemeen geformuleerd bewijsaanbod aantreft.
10 HR 24 januari 1997, NJ 1999, 56 m.nt. CJHB, rov. 3.4.2; HR 7 november 1997, NJ 1998, 364, rov. 3.7; HR 9 mei 1986, NJ 1987, 252 m.nt. MS, rov. 3.5; HR 21 december 1984, NJ 1985, 904 m.nt. MS, rov. 3.3 en 3.4; alinea 5.5 van de conclusie van A-G Verkade voor HR 21 november 2008, rechtspraak.nl LJN BF 5284, met vermelding van verdere vindplaatsen. Ik noem daarvan: Schadevergoeding (losbl.), Lindenbergh en Boonekamp, art. 101, aant. 40 sub b; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 II*, 2009, nr. 126; Spier c.s. Verbintenis uit de wet en schadevergoeding, 2009, p. 281 (zie voetnoot 223); Keirse, Schadebeperkingsplicht, diss. 2003, par. 4.2.2; Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. 1965, nr. 279 sub b. Zie ook, recentelijk, Keirse in Oldenhuis (red.), Schadebeperkingsplicht Wie verwacht wat van wie?, 2010, p. 23 - 24.
Nog te vermelden: HR 28 september 2001, NJ 2001, 650, rov. 3.5.
11 Het gaat dan om rov. 18. Het hof overweegt daar (mede) dat het feit dat [eiser] c.s. de middelen voor het nemen van schadebeperkende maatregelen niet zouden hebben gehad, voor rekening van [eiser] c.s. blijft. Dat lijkt mij niet juist. Het verwijt dat een benadeelde schadebeperkende maatregelen achterwege heeft gelaten kan opgaan, naar de mate dat van de betrokkene in redelijkheid kon worden gevergd dat hij de desbetreffende maatregelen inderdaad nam - zie bijvoorbeeld Schadevergoeding (losbl.), Lindenbergh en Boonekamp, art. 101, aant. 40, waar verdere verwijzingen worden gegeven; en Keirse in Oldenhuis (red.), Schadebeperkingsplicht Wie verwacht wat van wie?, 2010, par. 6.
Het lijkt mij evident dat van iemand die de vereiste middelen niet bezit (en daar ook niet aan kan komen) niet in redelijkheid kan worden gevergd dat hij de schadebeperkende maatregelen treft waar die middelen voor nodig zouden zijn. Dat deze oorzaak van verhindering voor rekening van de betrokkene zou komen, merk ik dan ook als een onjuiste rechtsopvatting aan.
12 Zoals het middel terecht - stilzwijgend - tot uitgangspunt neemt, gaat het hier om een zelfstandig "bevrijdend" argument van de kant van [eiser] c.s., en rustten stelplicht en bewijslast dus op [eiser] c.s.