1 Ontleend aan rov. 3.1 van de in cassatie bestreden beschikking.
2 Met verontschuldigingen aan Marten Toonder, Heer Bommel en de Bovenbazen.
3 Zoals al even ter sprake kwam is de in cassatie bestreden beschikking van 9 januari 2009. Het cassatierekest is op 8 april 2009 ingekomen.
4 Dat dit laatste het geval was, was blijkbaar in de cassatieprocedure meegedeeld, zie alinea C onder b van de conclusie van A-G Van Soest voor de beschikking.
5 Er zou zijn opgezegd, en tevens ontruiming aangezegd, tegen 1 april 2008. Dan staat art. 7:230a lid 5 BW een verlenging tot uiterlijk 1 april van het volgende jaar toe. Verdere verlenging op de voet van art. 7:230a lid 5, tweede volzin BW is mogelijk mits een verzoek daartoe uiterlijk een maand voor het verstrijken van de eerste verlengingstermijn wordt ingediend.
6 Zie bijvoorbeeld HR 10 maart 1995, NJ 1995, 550 m.nt. PAS, gegeven in een zaak waarin de maximale termijn waarop het verlengingsverzoek betrekking kon hebben was verstreken op 1 november 1994 (zie rov. 1 van de beschikking van de Hoge Raad)
7 Zie ook alinea's 7 - 10 van de conclusie voor HR 13 februari 2009, NJ 2009, 242 m.nt. Stein.
8 HR 26 maart 2010, LJN BK9654, rov. 4.1.2; HR 12 maart 2010, RvdW 2010, 416, rov. 3.6; HR 23 oktober 2009, NJ 2009, 527, rov. 3.3; HR 4 september 2009, NJ 2009, 397, rov. 3.3; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40.
9 In Middel 2, o.a. in alinea 2.3, wordt betoogd dat er in het tweede aanvullende beroepschrift geen nieuwe grieven zouden zijn aangevoerd maar slechts aanvulling van al eerder geformuleerde grieven. Het hof heeft daarover kennelijk anders geoordeeld; en als men van het tweede aanvullend beroepschrift kennis neemt treft dat oordeel als heel begrijpelijk. Zie overigens het bij de vorige voetnoot aangevoerde.
10 Dit is vooral bevestigd in de rechtspraak betreffende de dagvaardings-appelprocedure, zie bijvoorbeeld Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4, 2009, nr. 106. Zoals t.a.p. ook wordt aangenomen, ligt het in de rede om voor de rekestprocedure, om overeenkomstige redenen, tot een overeenkomstige rechtstoepassing te komen. Zie ook Snijders - Wendels, Civiel Appel, 2009, nr. 352; Hovens, Het civiele hoger beroep, 2005, nr. 288.
11 Tenzij de andere partij ondubbelzinnig de rechtsstrijd op die grondslag aanvaardt. Dat levert ook de reden op waarom het incidentele cassatiemiddel onder ii) niet op gaat. Daar wordt geklaagd dat het hof ook het eerste aanvullende appelrekest dat namens [verzoekster] c.s. werd ingediend niet had mogen accepteren; maar tegen dat rekest is van de kant van [verweerders] geen bezwaar gemaakt (en de klachten daaruit zijn in het verweerschrift "gewoon" besproken). Onder die omstandigheden is een "buiten de orde" aangevoerde grief in het algemeen wél toelaatbaar (en een aanvulling of toelichting is dat dan a fortiori).
12 Navraag bij het hof heeft de bevestiging opgeleverd dat dit inderdaad het geval is.
13 Zie ook HR 12 maart 2010, RvdW 2010, 417, rov. 3.2.
14 Zie bijvoorbeeld HR 23 januari 1998, NJ 1998, 332, rov. 3.2.
15 Ik meen (dus) dat in dit geval niet, zoals in HR 22 november 1996, NJ 1997, 204, rov. 3.3. aan de orde was, geldt dat de appelrechter de zaak aan zich moest houden en in volle omvang (her)beoordelen. In het geval uit 1996 waren hoor en wederhoor in de eerste aanleg in zodanige mate verzuimd, dat in appel slechts volledige herbeoordeling van de materie uit de eerste aanleg in aanmerking kwam. In de onderhavige zaak is dat als het om de aanvullende beschikking uit de eerste aanleg gaat, nu juist niet het geval. Het zou in een geval als dit ongerijmd zijn om toch herbeoordeling in volle omvang te verlangen.
16 In alinea 4.6 van het middel wordt ook dit oordeel bestreden, maar tevergeefs. Het desbetreffende gegeven is meer dan eens van de kant van [verzoekster] c.s. zelf aangevoerd (o.a. bij de pleitnota namens [verzoekster] c.s. in hoger beroep, alinea's 9, 10 en 37). Wat het hof aan de hand daarvan heeft vastgesteld is dus allerminst onbegrijpelijk. Voor het overige verwijs ik nog eens naar de in voetnoot 8 vermelde vindplaatsen.
17 Parlementaire Geschiedenis Boek 3, 1981, p. 182.
18 Ter voorkoming van mogelijk misverstand: dit is zeker niet het enige geval. Deponeren van een verklaring in de brievenbus van de betrokkene zal, zoals de aangehaalde plaats uit de Parlementaire Geschiedenis laat zien, "bereiken" opleveren zodra de brievenbus onder normale omstandigheden geleegd zou behoren te worden. Als men het legen in feite achterwege laat, is dat voor risico van de betrokkene. (Anders dan op het voetspoor van de Parlementaire Geschiedenis wel wordt aangenomen - zie bijvoorbeeld T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Hijma, 2009, art. 3:37, aant. 4 onder b -, lijkt mij dat het in dat geval niet zo is dat de verklaring de betrokkenen niet bereikt door een voor zijn risico komende omstandigheid. In het hier neergelegde systeem heeft een verklaring iemand bereikt zodra die langs een geëigende weg tot zijn beschikking is gekomen; en dat is het geval als de verklaring bij de betrokkene in de bus is gedaan. De verklaring heeft de betrokkene dan dus gewoon wél bereikt.)
Het ligt in de rede dat 's hofs vaststelling dat het bedrijf van [verzoekster 1] "eigenlijk" door de tweede verzoekster tot cassatie werd gevoerd, op dit geval slaat: dan mochten het kantoor en de brievenbus van de tweede verzoekster (ook) worden aangemerkt als kantoor c.q. brievenbus van [verzoekster 1], althans: voor zover het de zaken van dit bedrijf betrof; en kon ook om die reden worden aangenomen dat de opzegging die vennootschap deugdelijk had bereikt.
19 Ook verkeerde toepassing - zoals hier namens [verzoekster] c.s. wordt verdedigd - blijft toepassing; zie voor een illustratie HR 22 juni 2001, NJ 2001, 475 m.nt. PAS, rov. 3.1.2 en 3.1.3 (zie ook HR 29 september 2000, NJ 2001, 302 m.nt. PAS, rov. 4.1 en 4.2; HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672, rov. 3.4; HR 4 april 1986, NJ 1986, 549, rov. 3.2).
20 Dit is geen overdreven voorstelling van zaken. Er kunnen immers aanzienlijke belangen op het spel staan - bijvoorbeeld als het van de vraag of de zonder hoor en wederhoor gegeven beslissing "overeind blijft" afhankelijk is, of er substantiële dwangsommen zijn verbeurd.