ECLI:NL:PHR:2010:BM0897
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid hypotheekverlening wegens schending voorkeursrecht gemeente
In deze zaak staat centraal wanneer de termijn van acht weken, bedoeld in artikel 26 lid 2 van Pro de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg), aanvangt en of een hypotheek, waaronder een krediethypotheek, kan worden getroffen door een nietigverklaring op grond van deze bepaling.
De gemeente Leerdam had op grond van de Wvg een voorkeursrecht gevestigd op een perceel eigendom van verzoekster 1. Verzoekster 1 had vervolgens een hypotheek verleend aan verzoekster 2, zonder de gemeente een afschrift te verstrekken van de onderliggende overeenkomst. De gemeente stelde dat de hypotheek en de onderliggende rechtshandelingen de kennelijke strekking hadden om het voorkeursrecht van de gemeente te schenden en verzocht om nietigverklaring.
De rechtbank verklaarde de hypotheek nietig, waarna het hof dit oordeel bevestigde en tevens de onderliggende rechtshandelingen nietig verklaarde. De Hoge Raad oordeelde dat de termijn van acht weken begint te lopen op het moment dat de gemeente een afschrift van de akte ontvangt, niet bij louter kennis van het bestaan van de rechtshandeling. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat ook een krediethypotheek kan worden getroffen door nietigverklaring indien deze deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen dat afbreuk doet aan het voorkeursrecht. De weigering van verzoeksters om de onderliggende overeenkomst te overleggen, mocht worden uitgelegd in het nadeel van verzoeksters, waardoor het hof een inhoudelijk oordeel kon geven over de rechtshandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de nietigheid van de hypotheek en de onderliggende rechtshandelingen wegens schending van het gemeentelijk voorkeursrecht.