ECLI:NL:PHR:2010:BL7689
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij overtreding Wegenverkeerswet
Verdachte werd door de Kantonrechter te Rotterdam bij verstek veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens overtreding van artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep niet binnen veertien dagen na de einduitspraak was ingesteld, waarbij het hof aannam dat verdachte al eerder bekend was met de datum van de terechtzitting.
Verdachte had verklaard dat hij pas rond februari/maart 2007, na terugkeer uit het buitenland, kennis had genomen van de dagvaarding voor de terechtzitting van 23 februari 2007. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat het hoger beroep binnen veertien dagen na het moment waarop verdachte bekend had kunnen zijn met de einduitspraak had moeten worden ingesteld. Volgens artikel 408 lid 2 Sv Pro moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was.
De mededeling van de uitspraak is op 14 juli 2007 aan verdachte betekend, waarna verdachte op 17 juli 2007 hoger beroep instelde. Dit was binnen de wettelijke termijn. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.