ECLI:NL:PHR:2010:BL7689

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03527
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij overtreding Wegenverkeerswet

Verdachte werd door de Kantonrechter te Rotterdam bij verstek veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens overtreding van artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep niet binnen veertien dagen na de einduitspraak was ingesteld, waarbij het hof aannam dat verdachte al eerder bekend was met de datum van de terechtzitting.

Verdachte had verklaard dat hij pas rond februari/maart 2007, na terugkeer uit het buitenland, kennis had genomen van de dagvaarding voor de terechtzitting van 23 februari 2007. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat het hoger beroep binnen veertien dagen na het moment waarop verdachte bekend had kunnen zijn met de einduitspraak had moeten worden ingesteld. Volgens artikel 408 lid 2 Sv Pro moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was.

De mededeling van de uitspraak is op 14 juli 2007 aan verdachte betekend, waarna verdachte op 17 juli 2007 hoger beroep instelde. Dit was binnen de wettelijke termijn. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

Nr. 08/03527
Mr. Vellinga
Zitting: 9 maart 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van 23 februari 2007 waarbij verdachte wegens overtreding van artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994 bij verstek is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat het Hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
4. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houden de gedingstukken het volgende in:
a. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het arrondissement Rotterdam, zitting houdende te Schiedam, van 23 november 2005, houdt in dat die dagvaarding, na tevergeefse aanbieding op het GBA-adres van de verdachte, op 12 september 2005 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Rotterdam en op dezelfde dag als gewone brief naar het GBA-adres van verdachte is verzonden.
b. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 november 2005 houdt in dat verdachte aldaar niet is verschenen en dat verdachte bij de centrale balie van de Rechtbank te Rotterdam een verzoek tot uitstel heeft gedaan. De Kantonrechter heeft de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden en de oproeping van de verdachte tegen de nadere terechtzitting gelast.
c. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de oproeping van verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het arrondissement Rotterdam, zitting houdende te Schiedam, van 21 juni 2006, houdt in dat die oproeping, na tevergeefse aanbieding op het GBA-adres van de verdachte, op 28 maart 2006 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Rotterdam en op dezelfde dag als gewone brief naar het GBA-adres van verdachte is verzonden.
d. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 juni 2006 houdt in dat verdachte aldaar niet is verschenen en dat gebleken is dat verdachte op dat moment gedetineerd was. De Kantonrechter heeft de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden en de oproeping van de verdachte tegen de nadere terechtzitting gelast.
e. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de oproeping van verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het arrondissement Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, van 23 februari 2007, houdt in dat die oproeping, na tevergeefse aanbieding op het GBA-adres van de verdachte, op 1 december 2006 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Rotterdam en op dezelfde dag als gewone brief naar het GBA-adres van verdachte is verzonden.
f. Blijkens de aantekening van het mondeling vonnis is verdachte op 23 februari 2007 door de Kantonrechter bij verstek veroordeeld tot de hiervoor onder 1. vermelde straf. Volgens de akte van uitreiking, gehecht aan voornoemde aantekening, is op 28 maart 2007 tevergeefs gepoogd de mededeling uitspraak aan verdachte in persoon uit te reiken. Op 4 april 2007 is voornoemde mededeling teruggezonden aan de afzender.
g. Blijkens een akte van uitreiking is de mededeling uitspraak op 14 juli 2007 aan verdachte in persoon betekend.
h. Een akte rechtsmiddel, houdt in dat verdachte op 17 juli 2007 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormeld vonnis.
i. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2008 houdt onder meer het volgende in:
"Ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg bevond ik mij in het buitenland. Ik wist achteraf pas van de terechtzitting in eerste aanleg. Rond februari/maart ben ik uit het buitenland teruggekomen. Ik heb toen de inleidende dagvaarding van de terechtzitting van 23 februari 2007 gezien."
j. Het bestreden arrest houdt in:
"Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2008 verklaard dat hij omstreeks februari/maart 2007 de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 23 februari 2007 onder ogen heeft gekregen. Hieruit vloeit voort dat de verdachte vanaf dat moment bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg en dat hij had moeten informeren naar de einduitspraak naar aanleiding van die zitting. De verdachte had derhalve hoger beroep dienen in te stellen binnen veertien dagen nadat hij kennis had genomen van de dagvaarding voor die terechtzitting. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, te weten op 17 juli 2007, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beslissing
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."
5. Art. 408 Sv Pro luidt:
"1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
(...)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij
a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing."
6. Het Hof heeft niet vastgesteld dat verdachte reeds voordat de (nadere) terechtzitting in eerste aanleg van 23 februari 2007 had plaatsgevonden, heeft kennisgenomen van de dagvaarding voor die terechtzitting, en zodoende tevoren bekend is geraakt met de dag van voornoemde terechtzitting. Het Hof heeft dan ook terecht geen toepassing gegeven aan het bepaalde in art. 408 lid 1 onder Pro c Sv.
7. Nu voorts de verdachte niet ter nadere terechtzitting van de Kantonrechter is verschenen brengt het bepaalde in art. 408 lid 3 juncto Pro lid 2 Sv mee dat het hoger beroep in een geval als het onderhavige moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
8. 's Hofs oordeel komt er op neer dat het hoger beroep had dienen te worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend kon zijn. Daarmee geeft het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 408 lid 3 jo Pro. lid 2 Sv. Zoals art. 408 lid 2 Sv Pro bepaalt dient het hoger beroep te worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was, niet binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de eind-uitspraak de verdachte bekend kon zijn.
9. De verdachte heeft op 17 juli 2007 hoger beroep ingesteld. Uit de gedingstukken blijkt dat de mededeling uitspraak op 14 juli 2007 aan verdachte in persoon is betekend. Die omstandigheid wijst er niet op dat de verdachte anderszins te laat hoger beroep heeft ingesteld.
10. Het middel slaagt.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG