ECLI:NL:PHR:2010:BL5439

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/05205
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Verzoekster diende op 23 februari 2009 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank 's-Gravenhage, dat bij vonnis van 16 oktober 2009 werd afgewezen. Het hof 's-Gravenhage bekrachtigde dit vonnis bij arrest van 22 december 2009. Verzoekster stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De afwijzing was gebaseerd op het oordeel dat verzoekster niet te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Dit oordeel steunde op het feit dat zij, ondanks haar financiële problemen en het gebruik van een kredietfaciliteit om eerdere leningen af te lossen, toch een hogere lening aanging waarvan zij wist of had moeten weten dat zij die niet kon voldoen.

Daarnaast was onduidelijk waarvoor het restant van de lening was gebruikt, ondanks dat een deel was aangewend voor aflossing van eerdere schulden. Verzoekster's verklaringen hierover werden onvoldoende onderbouwd bevonden. Klachten over het oordeel van het hof werden door de Hoge Raad verworpen, die tevens oordeelde dat het arrest niet innerlijk tegenstrijdig was en dat het vereiste van goede trouw betrekking heeft op de gehele periode van vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat het arrest gehandhaafd moest blijven.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.

Conclusie

09/05205
mr. Keus
Parket, 19 februari 2010
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie
1. In deze zaak kunnen de aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden. Evenmin nopen zij tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Ik meen daarom met een verkorte conclusie te kunnen volstaan.
2. [Verzoekster] heeft op 23 februari 2009 een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank 's-Gravenhage ingediend. De rechtbank heeft dat verzoek bij vonnis van 16 oktober 2009 afgewezen. [Verzoekster] heeft hoger beroep bij het hof 's-Gravenhage ingesteld. Nadat zij op 15 december 2009 was gehoord, heeft het hof bij arrest van 22 december 2009 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Tegen dit arrest heeft [verzoekster] bij cassatierekest van 29 december 2009, dat op diezelfde dag is ingekomen, (tijdig) cassatieberoep ingesteld.
3. Het verzoek van [verzoekster] is afgewezen omdat - naar het oordeel van het hof - onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat [verzoekster], die haar maandlasten in verband met een lening bij NVF voldeed uit een kredietfaciliteit bij ABN/AMRO die zij eerder juist met die lening had afgelost, desondanks heeft bijgeleend toen zij financieel niet uitkwam en een hogere lening (met hogere maandlasten) bij [A] heeft afgesloten. Volgens het hof wist [verzoekster] bij het aangaan van de lening bij [A] - of had zij moeten weten - dat zij, gelet op haar financiële situatie, niet in staat was de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen na te komen. Daarbij komt dat volgens het hof niet duidelijk is geworden waarvoor het na aflossing van de schuld aan NVF resterende deel van de lening van [A] (welk restant € 9.500,- bedroeg) is aangewend (rov. 5).
4. Onder 1 wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoekster] wist of had moeten weten dat zij ten tijde van het afsluiten van de lening bij [A] niet aan haar financiële verplichtingen kon voldoen. Waar [verzoekster] de verplichtingen uit een eerder afgesloten lening al niet kon nakomen, is het oordeel dat zij wist of had moeten weten dat zij de (nog) zwaardere verplichtingen uit de later afgesloten lening bij [A] evenmin zou kunnen nakomen, onjuist noch onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat [verzoekster] zich door een adviseur van [A] had laten voorlichten. De klacht wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.
5. Onder 2 wordt geklaagd dat het oordeel dat niet duidelijk is geworden waarvoor het restant van de lening van [A] is aangewend, onjuist althans onbegrijpelijk is. Het hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat [verzoekster] de lening bij NVF van € 13.000,- heeft aangewend om de schulden aan ABN/AMRO, Wehkamp, Otto en Quelle te voldoen(1). Toen [verzoekster] de door haar verschuldigde maandlasten (€ 195,-) niet meer aan NVF kon voldoen, heeft zij opnieuw haar kredietfaciliteit bij ABN/AMRO aangesproken. Waar de lening bij [A] (€ 22.500,-) voor aflossing van de lening bij NVF (€ 13.000,-) is aangewend, resteert na die aflossing € 9.500,-. [Verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat zij dat bedrag heeft aangewend voor de betaling van schulden aan ABN/AMRO en Wehkamp en om een roodstand op haar rekening-courant in te lopen. Nu de kredietfaciliteit bij ABN/AMRO € 6.000,- beloopt, terwijl de (ingediende) openstaande vordering van ABN/AMRO € 7.422,26 bedraagt, is echter niet zonder meer aannemelijk dat [verzoekster] met het restantbedrag (enig deel van) haar schuld aan ABN/AMRO heeft afgelost. Voorts was de eerdere schuld bij Wehkamp al uit de lening bij NVF afgelost; zonder nadere onderbouwing is niet aannemelijk dat opnieuw een schuld bij Wehkamp is ontstaan en dat daarop zou zijn afgelost. Ook de stelling van [verzoekster] dat zij € 2.000,- van het restant zou hebben aangewend voor het aanzuiveren van een roodstand, is niet onderbouwd(2). Gelet op dit een en ander is het bestreden oordeel dat niet duidelijk is waarvoor het restant van € 9.500,- is aangewend, niet onbegrijpelijk. De klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.
6. Onder 3 wordt geklaagd dat het arrest blijk geeft van innerlijke tegenstrijdigheid omdat het hof enerzijds heeft geoordeeld dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest, en anderzijds heeft overwogen dat het reserveren van gelden op de rekening van CAV een positief signaal afgeeft en een aanwijzing oplevert dat [verzoekster] op de goede weg is. De klacht faalt, reeds omdat zij van een onjuiste lezing van het bestreden arrest uitgaat. Het hof heeft niet geoordeeld dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden niet te goeder trouw is geweest, maar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] ten aanzien daarvan wél te goeder trouw was. Ook overigens kan de klacht niet tot cassatie leiden, omdat het arrest niet innerlijk tegenstrijdig is. Het vereiste dat aannemelijk moet zijn dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden te goeder trouw is geweest, heeft betrekking op de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend(3). De omstandigheid dat de schuldenaar inmiddels op de goede weg is, impliceert niet dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] over die volle periode van vijf jaar ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden te goeder trouw is geweest.
7. De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 De kredietfaciliteit bij ABN/AMRO bedroeg ook toen € 6.000,-, terwijl de vorderingen van Wehkamp, Otto en Quelle ongeveer € 3.500,- bedroegen. Zie de eigen verklaring [verzoekster], overgelegd als bijlage II bij de aanvulling wsnp-verzoekschrift in hoger beroep van 23 november 2009. Overigens resteert na voldoening van deze schulden uit de lening bij NVF (€ 13.000,-) een bedrag van € 3.500,-.
2 Het cassatierekest verwijst naar bijlage 1, p. 4, bij de aanvulling hoger beroepschrift. Uit die bijlage, die overigens slechts twee pagina's omvat, blijkt die aflossing echter niet.
3 Art. 288 lid 1 onder Pro b Fw.