ECLI:NL:PHR:2010:BL1125
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid faillissementsrecht en beperkte verrekening loonvordering met tegenvordering
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over twee hoofdpunten in het faillissementsrecht. Ten eerste werd geoordeeld dat de appelrechter niet ambtshalve hoeft te toetsen of de rechtbank in eerste aanleg bevoegd was op grond van artikel 2 lid 1 van Pro de Faillissementswet. Dit betekent dat de relatieve bevoegdheid wordt bepaald door de woonplaats van de schuldenaar op het moment van indiening van het verzoekschrift, en dat het hof terecht heeft aangenomen dat de rechtbank Arnhem bevoegd was.
Ten tweede heeft de Hoge Raad bevestigd dat de verrekening van een loonvordering met een tegenvordering beperkt is tot het loon dat niet onder de beslagvrije voet valt. Dit houdt in dat een werknemer zijn loonvordering niet volledig kan verrekenen met een tegenvordering, ook niet wanneer deze tegenvordering betrekking heeft op huur van werktuigen of machines die aan de werknemer zijn verhuurd, zoals geregeld in artikel 7:632 BW Pro.
De Hoge Raad verwierp de middelen van de verzoeker omdat de stellingen onvoldoende waren onderbouwd en de toepasselijke wettelijke bepalingen duidelijk zijn. Het cassatieberoep werd daarom verworpen met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering, wat een verkorte procedure mogelijk maakt.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de juiste vaststelling van bevoegdheid in faillissementszaken en bevestigt de bescherming van het loon van werknemers tegen volledige verrekening met tegenvorderingen binnen de wettelijke grenzen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de rechtbank Arnhem werd bevestigd als bevoegd, met een beperkte verrekening van loonvorderingen tot boven de beslagvrije voet.